WELKOM OP MIJN WEBLOG

Dit blog is in de loop der jaren veranderd. Ooit ging het vooral over de bibliotheek, nu gaat het meer over lezen en taal. (Wie denkt: de bibliotheek gaat toch óók over lezen en taal, ziet dat anders dan ik.) Ooit werd het elke dag bijgehouden, nu minder regelmatig. Wat hetzelfde gebleven is: opmerkingen zijn van harte welkom.

zondag 14 maart 2010

Blogbrief uit Rotterdam-West (4)


















Dag Henk,

Er zijn nog twee onderwerpen van mijn kant half-afgemaakt blijven liggen, vandaar dat ik de vrijheid neem 'voor mijn beurt te gaan' en niet te wachten tot er een nieuwe 'blogbrief uit de Zeeuwse hoofdstad' komt.

Het eerste is hoe ik van de financiële administratie terecht ben gekomen op de afdeling Collecties (die sinds een paar dagen, na enkele naamsveranderingen, opnieuw zo heet). Dat zou een lang verhaal kunnen worden, maar omdat ik op mijn blog niet te diep wil ingaan op werkkwesties, zal ik het kort houden. Toen ik bij ProBiblio in Schiedam ging werken was de fusie tussen de bibliotheekcentrales van Noord en Zuid-Holland al een feit, maar beide partijen zaten nog op hun oude locatie: Schiedam of Alkmaar. Mijn aanstelling zou in principe duren tot de verhuizing naar Hoofddorp, maar door allerlei omstandigheden ben ik uiteindelijk toch 'mee verhuisd'. Het werk beviel me goed en ik was blij dat ik kon blijven, al was de nieuwe afstand natuurlijk wel een nadeel. Maar weer werkloos worden leek me toch veel erger.

Eenmaal in Hoofddorp veranderde er zoveel (waar ik niet over zal uitweiden) dat mijn werkplezier flink verminderde. Toen er dan ook een oproepje kwam van afdeling Personeelszaken om je aan te melden als je graag iets anders wilde gaan doen binnen het bedrijf, dacht ik: het zal vast niks worden maar proberen kan altijd, en gaf ik me op als belangstellende. Er volgde een gesprek met iemand van Personeelszaken over wat ik dan eventueel zou willen, en ik verwachtte dat het daar wel bij zou blijven. Ik was dan ook zeer verrast toen me niet al te lang daarna werd gevraagd of ik naar afdeling Collecties wilde om daar wisselcollecties voor zorginstellingen te gaan maken. Ik vroeg of ik dat zonder bibliotheekopleiding wel zou kunnen en het antwoord, dat ik vermoedelijk nooit zal vergeten, was: 'Gezond verstand en liefde voor boeken zijn genoeg.' De afspraak werd dat het van beide kanten een proef zou zijn en dat ik, als het een van de partijen niet beviel, weer terug zou kunnen naar mijn oude plaats. Maar dat bleek niet nodig. Ik had al snel het gevoel 'hier wil ik blijven' en dat kon gelukkig ook. Mijn nieuwe collega's waren, net als ik dat op de financiële administratie was, niet onverdeeld gelukkig met de door de fusie veroorzaakte veranderingen, maar ik wist natuurlijk niet hoe het 'vroeger' op deze afdeling geweest was, dus ik kon er ook niet naar terugverlangen. En ik vond het heerlijk om de hele dag met boeken bezig te zijn. Collecties maken is iets waar je volgens mij vooral een soort 'gevoel' voor moet hebben en dat gevoel had ik geloof ik wel, of in elk geval heb ik het in de loop van de tijd ontwikkeld. Ik vind het nog steeds fijn om te doen, al zijn er inmiddels wel weer dingen veranderd die, enz. (daar heb ik het verder niet over).

Het tweede onderwerp dat er nog ligt is je vraag wat ik had willen worden als ik mijn beroepsleven over mocht doen. Ik had daar eigenlijk nooit over nagedacht tot zo'n anderhalf jaar geleden, toen ik me door de 23dingen en het als gevolg daarvan bijhouden van een weblog, wat meer ben gaan verdiepen in de bibliotheekwereld. Collecties maken voor zorginstellingen staat nogal aan de zijlijn van het bibliotheekwerk en speelt zich bovendien af achter de schermen. Van de rest van de bibliotheekwereld wist ik daarom weinig. Dat veranderde door de 23dingen. Niet zozeer door de 'dingen' zelf, maar vooral door wat bloggen teweeg bracht: het lezen van andere blogs en het meer gespitst raken op informatie over de bibliotheek, b.v. in de krant, zowel om blogstof te verzamelen als omdat het me interesseerde.

Denkend en bloggend over de bibliotheek en over het belang van lezen en verwante zaken, kwam ik tot de conclusie dat een van de belangrijkste taken van de bibliotheek (misschien is het zelfs wel de allerbelangrijkste) volgens mij is om kinderen met boeken in aanraking te brengen. En toen dacht ik: jeugdbibliothecaris zou misschien wel een baan geweest zijn waar ik plezier in had kunnen hebben. In elk geval lijkt het me werk waarbij je je niet hoeft af te vragen of het wel 'nuttig' is wat je doet. Dat heb ik bij wat ik nu doe trouwens ook niet: ik ben er van overtuigd dat het nuttig is en dat er mensen zijn die er plezier aan beleven dat ik boeken voor ze uitzoek, en dat geeft een soort 'intrinsieke motivatie', die ervoor zorgt dat het in elk geval toch altijd (althans tot nu toe) tamelijk prettig werk blijft, ook al zijn de 'randvoorwaarden' wel eens wat minder motiverend, om het zo maar te zeggen.

Dit was slechts een berichtje tussendoor en ik laat het daarom bij deze twee onderwerpen. Het weekend is weer eens veel te snel voorbij gegaan om er in te doen wat ik moest en/of wilde, maar déze achterstand is in elk geval weggewerkt!

Hartelijke groet en tot schrijfs, schrijverdezes


Foto: Hans Karssenberg, hier gevonden.

zaterdag 13 maart 2010

Wat ik las 40

Op het GDMW-festival hoorde ik Tom Lanoye voorlezen uit Sprakeloos en was daar wel van onder de indruk. Nu kan goed voorlezen van een matig boek soms iets moois maken (en andersom), dus zegt dat nog niet alles, maar ik dacht in ieder geval: dat boek wil ik wel lezen. Maar zoals dat vaak gaat (althans bij mij): ik vergat het weer. Tot ik zowel bij Henk als bij Occy een bespreking van het boek las die me opnieuw deden denken dat ik het wilde lezen. En nu heb ik het dan eindelijk gelezen. Met zeer veel genoegen kan ik wel zeggen. Het begon al snel met glimlachen in de trein en die glimlach keerde regelmatig terug en werd zelfs een keer een echte lach (ook in de trein). (Dit boek bleek bij uitstek geschikt om medereizigers te laten denken: Hé, is lezen zó leuk? Dat ga ik ook eens doen.)

Toch is het in feite een treurig boek, want het gaat over de laatste levensjaren en de dood van de moeder van de auteur en ook de dood van zijn vader en die van een van zijn broers komen er in aan de orde. Maar om ons te laten weten wíe er dood gaan, en ook om nog niet aan het ergste te hoeven beginnen, vertelt Lanoye eerst over hun leven en het gezin waar ze deel van uitmaakten en de buurt waar ze woonden en hij vertelt dat allemaal zo aanstekelijk dat het toch ook een boek is waar je vrolijk wordt.

Het boek gaat vooral over de moeder, die als slagersvrouw en moeder van vijf kinderen een erg druk leven heeft: ze helpt in de zaak, regelt het huishouden, deelt de taken uit aan haar kinderen, maakt schotels op voor feesten en barbecues en is daarnaast ook nog actrice bij het amateurtoneel. Tijdens het strijken repeteert ze met haar jongste zoon (de latere schrijver van het boek) haar rollen: hij leest voor wat de andere personages zeggen en zij oefent haar eigen tekst. Ook in het dagelijks leven is theater haar niet vreemd: als iets haar niet zint weet ze overtuigend een hartaanval voor te wenden.

Ze praat veel en graag en houdt van discussie. Op latere leeftijd (hoe oud ze toen was kan ik niet vinden, maar ik schat tegen de 80) wordt ze getroffen door een herseninfarct waarna ze zich niet meer verstaanbaar kan maken. Ze praat nog steeds veel, maar in een taal die niemand verstaat. Als het wat beter met haar gaat krijgt ze opnieuw een infarct en zo volgen er meer totdat ze twee jaar later uiteindelijk sterft. Haar zoon wil een boek over haar schrijven maar dat lukt hem pas nadat zijn vader, weer twee jaar later, ook overleden is. En nog steeds blijft hij er omheen draaien, of liever er omheen schrijven. Zo beschrijft hij eerst de buurt en een aantal markante buurtbewoners: het kruispunt waar zoveel ongelukken gebeuren, Dikke Liza de huisbazin waar elke maand de huur gebracht moet worden, de klanten in de slagerij zoals Sidonie met de hazenlip, en de dagen- en nachtenlang tegen elkaar schreeuwende buurvrouwen door wie de auteur als kind vaak niet kon slapen. Hij vertelt over het buitenhuisje met het golfplaten dak dat zijn moeder 'de bungalow' noemt en waar ze, bij voorkeur in badpak, in de tuin werkt en asperges kweekt.

Dit alles met een fraai en overvloedig taalgebruik dat me veel plezier deed. 'Minder is minder,' zegt de schrijver en aan minimalisme in de taal doet hij niet mee. Gelukkig maar.

Inmiddels heb je als lezer wel begrepen wat er met zijn moeder gebeurd is en uiteindelijk komt hij er dan toch toe precies te vertellen waar het gebeurde en hoe het ging. Eerst beschrijft hij nog uitgebreid het interieur van het appartement waar zijn ouders na hun pensionering zijn gaan wonen en dat gevuld is met vele door zijn moeder op veilingen gekochte beeldjes en andere snuisterijen. En daar, tijdens een vredig avondje voor de tv, na het eten van een pizza, berooft een bloedpropje in haar hersenen haar van haar spraakvermogen en vliegt ze in plotselinge razernij haar echtgenoot naar de keel. Ze wordt opgenomen in een verzorgingshuis. Haar taalvermogen blijft ernstig gestoord en de woede-aanvallen komen af en toe terug. Soms lijkt ze het in de nog volgende twee jaar toch wel naar haar zin te hebben, maar haar zoon blijft zich afvragen of ze geen gehoor hadden moeten geven aan haar, onverwacht verstaanbare, verzoek van kort na haar eerste infarct 'Laat dat oud mensje toch gaan.'

Het taalgebruik in het boek is zoals de moeder was: theatraal, niet te stuiten, meeslepend. De beschrijvingen van mensen en gebeurtenissen zijn erg beeldend. De gevoerde gesprekken komen erg levensecht over. Dit alles zorgde voor veel leesplezier.

In juli werd de slagerij drie zaterdagmiddagen wat eerder gesloten, bij wijze van vakantie. Op een van die middagen ging het gezin dan naar Hulst om inkopen te doen en daarna naar Axel om daar in het openluchtbad te zwemmen. Nu heb ik als kind enkele jaren in Axel gewoond en ik ging 's zomers elke dag naar het zwembad. Dus daar zou ik ze wel eens gezien kunnen hebben. gezien. Maar helaas herinner ik me daar niets van.

Ooit ben ik gestopt in Kartonnen dozen van deze schrijver. Waarom ik dat deed weet ik niet meer, maar het lijkt me een goed idee om het opnieuw te gaan lezen.

dinsdag 9 maart 2010

Toen ík jong was...


















Geloof het of niet, maar aan dit stukje ben ik al bijna een week bezig (niet de hele dag natuurlijk). Het wil steeds maar niet worden wat ik wil dat het wordt, maar nu ga ik het toch maar eens 'posten', een beetje vanwege het werk dat er inmiddels in zit (al zie je dat nergens aan), een beetje omdat ik niks anders weet om over te bloggen, maar toch vooral omdat ik het wel een aardig onderwerp vind, al komt het dan niet helemaal uit de verf. Dat onderwerp is: repressieve tolerantie.

'Repressieve tolerantie' is een term die eind jaren '60 - begin jaren '70 vrij vaak gebruikt werd, maar die je tegenwoordig zelden meer hoort. Hij is geïntroduceerd door Herbert Marcuse, die er in 1965 een artikel over schreef. Als je in die tijd links was, wist je wat ermee bedoeld werd en zei je waarschijnlijk zelf ook wel eens: 'typisch een geval van repressieve tolerantie.'

Een tijdje geleden moest ik onverwacht weer eens aan die term denken. De reden dat ik er nu iets over opschrijf is dat ik me toen ook afvroeg: is het een begrip dat voor het begrijpen van sommige ontwikkelingen in de bibliotheekwereld nuttig zou kunnen zijn? En zo ja, kennen mensen van 45 of jonger het begrip eigenlijk nog wel? Want ik moest ook denken aan David Grossman, die een keer vertelde dat hij zich er pas van bewust werd wat frustratie was toen hij het woord 'frustratie' geleerd had, iets waar ik ooit nog 's een stukje over schreef. Dat zou voor andere begrippen ook kunnen opgaan. Hierop voortbordurend leek het me wel een idee om de term repressieve tolerantie weer eens af te stoffen. Wie weet wat hij voor deze of gene nog eens zal verhelderen. (Toen ik dat idee kreeg besefte ik nog niet hoe lastig het uitvoeren ervan zou zijn.)

'Repressieve tolerantie' is van oorsprong een politiek begrip en heeft te maken met het verzet tegen de heersende macht, destijds vaak het establishment genoemd. Of de heersende klasse. Of de kapitalisten. Het is maar net bij welke stroming je hoorde. Er is op internet het nodige over repressieve tolerantie te vinden, maar dat voert hier allemaal te ver. Dit blog gaat niet over politiek en ik weet er ook te weinig vanaf. Maar voor wat ik erover wil opmerken is de definitie van wikipedia voldoende:

Repressieve tolerantie is de techniek waarbij ideeën die voor de heersende macht ongewenst zijn, juist een plaats wordt gegund om ze op een dergelijke manier onschadelijk te maken. Men tolereert het omdat men hoopt dat daarmee het effect verloren gaat.

De vraag die bij me opkwam is deze: zou dat in de bibliotheekwereld ook kunnen voorkomen, dat daar ideeën een plaats gegund wordt met als onderliggende bedoeling ze onschadelijk te maken? Dat de 'heersende macht' weliswaar een plaats inruimt voor vernieuwing, maar (al dan niet bewust) met de hoop die vernieuwing daarmee zodanig te kunnen beheersen dat de structuur er niet door wordt aangetast?

De bibliotheekwereld staat niet bepaald bekend als dynamisch of veranderingsgezind. Je zou daaruit kunnen afleiden dat het establishment er tamelijk wat macht heeft. Over mogelijke veranderingen wordt lang nagedacht en veel vergaderd en er moet toch eerst nog maar eens wat onderzoek gedaan worden. Intussen staat een groep mensen te trappelen van ongeduld: opschieten, we zíjn al te laat, we missen elke boot, we worden aan alle kanten ingehaald door Google, facebook, LibraryThing, #durftevragen, enz., en als we als bibliotheek nog een rol van betekenis willen blijven spelen moeten we wel héél snel zorgen dat we hiermee kunnen concurreren: de klant betrekken in onze plannen, goed luisteren naar wat de mensen willen, interactief zijn, transparant, flexibel, een community vormen, games aanbieden, en noem het allemaal maar op.

En wat heeft dit dan met repressieve tolerantie te maken? Misschien wel niks. Maar misschien ook dit. In elke bibliotheek zijn waarschijnlijk wel wat mensen te vinden die vernieuwing voorstaan en die er waarschijnlijk zelfs van overtuigd zijn dat die vernieuwing de enige overlevingskans voor de bibliotheek is. Maar misschien voelt de leiding van zo'n bibliotheek waar die veranderingsgezinden werken daar helemaal niet zoveel voor. Dat kan allerlei redenen hebben, zoals een andere visie op bibliotheekwerk of de behoefte het zichzelf niet te moeilijk te maken of de gedachte: ik ga toch bijna met pensioen (het bibliothecaire establishment bestaat immers zoals bekend voor een aanzienlijk deel uit babyboomers). Je zoú in zo'n geval als 'machthebbers' je toevlucht kunnen nemen tot een vorm van repressieve tolerantie. Misschien gebeurt dat bewust, misschien gaat het min of meer vanzelf.

Hoe zou dat dan kunnen werken? Je geeft als gevestigde macht de 'vernieuwers' een plaats in de organisatie waar ze hun vernieuwende ideeën kunnen toepassen, maar waar je ze tevens in de gaten kunt houden en zo nodig een beetje afremmen. Je geeft ze vooral flink veel te doen, zodat ze gaan denken dat er ernstig rekening met hen wordt gehouden, maar je zorgt er tegelijk ook voor dat ze zóveel te doen hebben dat ze het allemaal niet al te snel voor elkaar krijgen. (Want wat niet af is, is meestal niet al te bedreigend.) Het toestaan van het bezoeken van een interessant congres kan misschien ook mooi de indruk van tolerantie geven. Je zegt ook af en toe dat je het heel belangrijk vindt wat er gedaan wordt, dat je begrijpt dat iemand er enthousiast over is en dat je dat zelf eigenlijk ook wel bent.

Zo ongeveer werkt volgens mij repressieve tolerantie, bewust of onbewust, wie weet een mengvorm van die twee. Je kunt het mischien ook gewoon 'inkapselen' noemen. (En als de vernieuwing vormen aan dreigt te nemen die je niet meer kunt beheersen kun je altijd nog zeggen dat het geld op is.)

Ik geef toe dat dit een beetje (of zo je wilt: erg) wantrouwig en cynisch klinkt. Maar het is slechts theorie. Ik wil helemaal niet beweren dat deze praktijken schering en inslag zijn in de bibliotheek. Ik weet daar niks van, dus ik kan er ook niks over zeggen. Er zullen vast en zeker veel 'machthebbers' in de bibliotheekwereld zijn die vernieuwing toejuichen en van harte steunen en die zelfs bereid zijn plaats te maken voor (jongere) mensen met andere ideeën. Maar misschien zijn er ook anderen, die hun positie niet zo makkelijk opgeven. En dan zoú het kunnen gebeuren dat die hun toevlucht nemen tot repressieve tolerantie. En wie daar de dupe van wordt, herkent het misschien eerder als hij er al eens van gehoord heeft, net zoals Grosmann zijn frustratie. Dat was de aanleiding voor dit stukje. Let wel: het zijn alleen maar wat gedachten. Ik laat ze me graag uit mijn hoofd praten.


Foto: Flickr, gemaakt door: svennevenn.

maandag 8 maart 2010

Kaart&boek 37


















Wegens aanhoudend gebrek aan bloginspiratie maar weer eens een kaart.


Kaart: Max Velthuijs

zondag 7 maart 2010

Blogbrief uit Rotterdam-West (3)























Dag Henk,

Dank voor je brief, de derde alweer! Wat betreft die 'persoonlijke informatie', daar heb ik inderdaad wel even over nagedacht. Je vermoeden dat ik gesteld ben op mijn privacy is terecht, maar uiteindelijk vond ik wat ik vertelde niet zo erg privé. Het zijn dingen die zich in het openbaar hebben afgespeeld: studie, werk, kinderen krijgen. Het lijkt misschien meer dan het is doordat het nu allemaal achter elkaar is opgeschreven en zo bijna de indruk van een 'levensverhaal' geeft. Maar in elk geval leuk dat ik je er mee heb kunnen verrassen! Het blijft denk ik, zolang wij deze blogcorrespondentie volhouden, steeds een beetje aftasten wat we wel en niet 'openbaar maken'. Het is toch iets heel anders dan een gewone briefwisseling, omdat bekenden en onbekenden meelezen (of dat in elk geval kunnen doen als zij er zin in hebben).

Maar dat maakt het ook extra leuk (ik zou haast zeggen: spannend), vind ik. Het is eigenlijk voor het eerst dat ik op mijn blog met mijn lezers rekening houd. In de eerste plaats met jou natuurlijk, omdat het iets is waar wij nu eenmaal samen mee bezig zijn, maar daarnaast ook met de mee-lezers. Ik heb in mijn blogstukjes altijd geschreven wat ik wilde, met het idee: wie het wil lezen kan dat doen en wie het niet wil lezen leest het gewoon niet. Ik heb er nooit over nagedacht wat voor anderen interessant zou kunnen zijn of wat ze leuk zouden kunnen vinden. Ik schreef voor m'n eigen plezier en ook omdat ik het niet kon laten. Wel legde ik me een paar beperkingen op: niet teveel persoonlijke informatie, en over mijn werk alleen algemene dingen.

Nu, met deze blogcorrespondentie, is dat toch een beetje anders geworden, want het kan daarbij haast niet anders of er moet wat persoonlijke informatie in. De bedoeling is toch (voor zover we 'überhaupt' een bedoeling hebben) dat hierin de twee corresponderenden elkaar wat beter leren kennen. Dat lukt niet, of slechts ten dele, als deze brieven in feite gewone blogstukjes zouden zijn. Maar het vreemde daaraan is dan meteen dat het tegelijkertijd toch ook gewoon blogstukjes zíjn. En daarom sta ik er nu voor het eerst wat langer bij stil dat wat ik schrijf door 'buitenstaanders' gelezen wordt. En kan het me ineens tóch een beetje schelen wat ze ervan vinden. Maar hóe ik daar rekening mee moet houden, dat weet ik dan weer niet.

Na deze uitweiding snel terug naar je brief. Ik begin nu al een achterstand op te bouwen, want ik zou je nog vertellen hoe ik van financieel medewerker collectiemaker werd en wat ik zou willen worden als ik mijn beroepsleven over kon doen. Maar achterstand is, moet ik eerlijk bekennen, de toestand waarin ik mij vrijwel altijd bevind. Ik ben zelden ergens 'bij' mee: altijd manden vol strijkgoed, altijd 'vensterenveloppen' die nog geopend moeten worden, een verjaardagskaart die (veel) te laat gaat komen, een kledingstuk dat gerepareerd moet, een boek dat op een stapel ligt enz. enz. (Mijn werk vormt hierop een uitzondering: ik ga in principe pas naar huis als dat voldoende 'bij' is.) Ik heb zo'n gevoel dat jij in zulke dingen veel beter bent. Waarop ik dat idee baseer? Misschien wel op dat ene zinnetje dat je eens schreef (in welk verband dat was weet ik niet meer): 'wij strijken onze eigen overhemden'. Dat heeft indruk op me gemaakt. Maar ook b.v. dat je je foto's op Flickr zet heeft ermee te maken. Mijn foto's, áls ik ze al maak, zwerven in (papieren) mapjes of zitten, sinds ze digitaal zijn, nog in het geheugen van het fototoestel of staan ergens op de harde schijf van de pc, of zijn gewoon nergens meer te vinden.

Waarmee ik maar wil zeggen dat het vandaag niet allemaal aan de orde komt... Maar nu in elk geval iets over corresponderen. De luchtpostbrief zoals je hem beschreef zag ik meteen voor me, maar ik ben er niet uitgekomen hoe dat komt. Ik moet ze ooit gezien hebben en misschien zelfs wel zelf hebben verstuurd, maar van wie ze kwamen of naar wie ze gingen weet ik niet meer. Voor zover ik weet schreven wij thuis niet met overzeese familieleden en ik herinner me ook geen vrienden of vriendinnen die in andere landen woonden.

Wat ik me wél herinner zijn de brieven van mijn opa. Die vormden de eerste correspondentie waar ik mee te maken had. Mijn opa (de vader van mijn moeder) schreef af en toe (van de frequentie heb ik geen idee meer) aan mijn ouders. (Dit gaat over de jaren '50 en '60.) Mijn opa had een vrijwel onleesbaar handschrift en de enige die het, min of meer, kon ontcijferen was mijn moeder. Die las de brief daarom voor aan mijn vader en mij. Ik herinner me vooral het fenomeen, van de inhoud weet ik alleen nog maar dat mijn opa, die dominee was, soms (of misschien altijd?) vermeldde waar hij gepreekt had en of de kerk vol was. 'De kerk was des morgens en des avonds goed bezet.' is een regel die me, als enige, is bijgebleven. In de marges van de brief schreef mijn oma, die juist een heel duidelijk en regelmatig handschrift had, ook nog een paar regels. Die stonden dan vaak dwars op de andere tekst (ik bedoel qua vlakverdeling, niet qua inhoud, dat zou mijn oma nóóit gedaan hebben...). Zelf schrijf ik, de keren dat ik nog iemand 'met de hand' schrijf, ook vaak achteraf nog iets in de kantlijn en ik realiseer me nu voor het eerst dat dat wel eens door het voorbeeld van mijn oma gekomen kan zijn. Zo zie je maar, wat deze (ik bedoel nu onze) correspondentie allemaal oproept.

Als kind ben ik verschillende keren verhuisd en dat heeft een paar correspondenties opgeleverd met vriendinnetjes die ik achterliet. Die correspondenties zijn na verloop van tijd weer opgehouden. Met een van die 'meisjes' wissel ik wel nog steeds kerstkaarten. Later heb ik ook vele jaren met een oud-collega geschreven. Dat was inmiddels al per e-mail en ging vooral over literatuur, d.w.z. van mijn kant over de boeken die ik las en waar ik dan, ongeveer zoals nu op mijn blog maar dan wat persoonlijker, verslag van deed. Maar ook andere zaken kwamen aan de orde, want literatuur heeft natuurlijk veel te maken met 'levensgevoel'. Ook deze correspondentie heeft het tegen de tand des tijds moeten afleggen. En zo zijn er nog wel een paar geweest, de ene wat langduriger dan de andere, soms alleen op kaarten, een andere per e-mail. Er is er momenteel nog eentje gaande, naast onze 'blogcorrepondentie'. Een paar andere vertonen achterstand (!), maar zouden nog wel tot leven gewekt kunnen worden als ik daar mijn best voor deed.

Dat je een keer een correspondentie begonnen bent door een advertentie in de krant herken ik: dat heb ik ook een keer gedaan. Ik was een jaar of 23 denk ik en we lazen Hervormd Nederland (misschien een proefabonnement, of we kregen het van mijn ouders als die het uit hadden, dat weet ik niet meer). Het blad bestaat volgens mij allang niet meer, maar het was destijds een 'progressief kerkelijk blad', althans zo herinner ik het me. (Ik was overigens niet hervormd, maar gereformeerd.) Daarin stond een keer een advertentie van een gevangene die wilde corresponderen. Dat wilde ik wel proberen en het bleek heel leuk. Het was een jongen (man) van mijn leeftijd, hij schreef goed en er ging, zoals je zult begrijpen, 'een wereld voor me open', maar die wereld bleek toch ten dele ook wel weer herkenbaar, in die zin dat mensen met een heel uiteenlopende achtergrond toch naar dezelfde dingen in het leven op zoek kunnen zijn. We (mijn man en ik) hebben hem, toen hij weer vrij was, een keer opgezocht (in Amsterdam). Hij was toen gaan samenwonen en ik herinner me nu ineens dat we toen een Chinees theeserviesje hadden meegenomen, met van die rijstkorrels in het porselein gebakken. Heel wat jaren heb daar niet meer aan teruggedacht, tot jij het weer uit de diepere regionen van mijn geheugen omhoog bracht. Ik herinner me ineens ook weer de winkel in de Lijnbaan waar je toen zulke dingen kon kopen...

Voordat de nostalgie al te zeer uit de hand gaat lopen stop ik met deze brief. De andere zaken komen nog! (D.V., zou mijn opa daaraan toegevoegd hebben.) Ik heb deze keer geen vragen gesteld, maar ik neem maar aan dat er toch wel ergens een aanknopingspunt te vinden is waar je op door kunt gaan. En anders begin je vast wel met iets nieuws.

Vanwege het zonnige weer weer ben je misschien wel gaan wandelen vanmiddag? In Oranjezon b.v.? Of moet ik óp Oranjezon zeggen?

Hartelijke groet en tot schrijfs, schrijverdezes


p.s. Ik dacht eerst dat de foto bij je brief er 'zomaar eentje' was, maar toen ik je Flickr-account bekeek merkte ik dat je hem waarschijnlijk speciaal voor de gelegenheid hebt gemaakt. Leuk! Zelf ga ik toch maar weer op zoek naar een door een ander gemaakt R'dams plaatje.
p.s. 2 Ik heb, toen ik er een link naar wilde maken, gelezen hoe het zit met Hervormd Nederland. Dat heeft veel langer bestaan dan ik vermoedde: tot oktober 2002.


Foto: Flickr, gemaakt door: tnarik.

zaterdag 6 maart 2010

Vernieuwing




















Bij ons op het werk stonden tot voor kort in de hal twee Gispen-stoelen met een bijpassend tafeltje. Uiteraard in de eerste plaats bedoeld voor bezoekers die even moesten wachten, maar ze waren ook heel decoratief en ik vond het altijd een plezier om ernaar te kijken. Ze waren bekleed met zwart ribfluweel en zaten heerlijk, zoals ik geconstateerd heb toen ik er een keer even op (in) eentje was gaan zitten om op een collega te wachten met wie ik samen naar huis zou reizen. Ongeveer een maand geleden zijn deze stoelen vervangen door twee andere, waarvan ik de ontwerper (of het merk) niet ken. Ze hebben een soort (liggende) U-vorm en zijn lichtblauw. Ik heb er nog niet op ('in' is hier in elk geval niet het juiste woord) gezeten, maar het zou me zeer verbazen als ze lekker zaten, en ik vind ze in elk geval niet mooi. Eerlijk gezegd erger ik me er elke keer als ik er langs loop aan, maar het zal wel wennen.

En nou dacht ik gisteren, nadat ik er op weg naar huis weer voorbij gekomen was, ineens: is het vervangen van die klassieke (en in mijn ogen onovertroffen) Gispen-stoelen door deze onduidelijke, fletse 'zitobjecten' eigenlijk niet een beetje symbolisch voor de bibliotheek? Maar toen riep ik mezelf natuurlijk onmiddellijk tot de orde.


Foto hier gevonden.

woensdag 3 maart 2010

Wat ik las 39

Het eerste boek dat ik van Willem van Toorn las was De lotgevallen van Sebastiaan Terts. Ik was toen een jaar of 23 en ik weet nog waar ik het las: in een tot (primitief) vakantiehuisje omgebouwde varkensstal in Brabant. Het kán aan die varkensstal liggen, want die was ook wel een beetje bijzonder, maar ik denk toch dat het aan het boek ligt dat ik me dat nog herinner. Het maakte veel indruk op me en ik denk dat het de eerste keer is geweest dat ik me realiseerde dat bij een boek niet alleen het verhaal belangrijk is, maar ook de stijl. De stijl van Van Toorn is sober, rustig, onnadrukkelijk, schijnbaar achteloos. Ik vond dat toen heel mooi en ben het altijd blijven waarderen. Lang heb ik gedacht dat het de enige stijl was waar ik echt van zou kunnen houden, maar dat bleek (gelukkig) niet waar. Veel later leerde ik b.v. Vestdijk kennen, die toch heel anders schrijft, maar die me onverwacht toch ook erg beviel. En nog later b.v. Céline, wiens stijl het volstrekte tegendeel van onnadrukkelijk is. En ook van hem was ik erg onder de indruk.

Ik heb voor mezelf wel eens de theorie ontwikkeld (en ik vermoed dat ik hem ook al wel eens op m'n blog heb opgeschreven, maar ik herhaal hem toch nog even) dat je een boek mooi kunt vinden vanwege de inhoud of vanwege de stijl, maar dat de boeken die de meeste indruk op je maken dat doen doordat stijl en inhoud met elkaar overeenstemmen en elkaar versterken, waardoor het geheel meer is dan de som der delen.

Het is natuurlijk maar een theorietje voor eigen gebruik, maar ik heb er af en toe wel plezier van. Het geldt wat mij betreft voor Vestdijk en Céline en ook op Van Toorn vind ik het van toepassing: het sobere en achteloze van zijn stijl vind je ook bij de ínhoud van zijn romans en verhalen. Ze zijn nooit groots en meeslepend, maar gaan altijd over het tamelijk gewone leven van tamelijk gewone mensen. Ze zijn nooit dramatisch, eerder berustend: zo is het leven nu eenmaal. En juist daarom zijn ze zo mooi. Niet mooi op de ruim opgezette manier van Vestdijk of de verpletterende manier van Céline, maar mooi op die sobere, rustige, achteloze manier van Willem van Toorn. Ik zou haast zeggen: op een bedaarde manier. Dat ik dat toch net níet wil zeggen komt omdat Van Toorn de schrijver is die het woord 'bedaard' het allermeest gebruikt van welke schrijver dan ook die ik ken (ik vermoed dat er ook heel veel schrijvers zijn die het woord nóóit gebruiken), iets wat me altijd een beetje irriteert. Maar een geschikt woord zou het wel zijn, om zijn werk mee te typeren.

Van Toorn heeft een essaybundel geschreven over het landschap en hoe dat verpest wordt door dijkverzwaring e.d.: Leesbaar landschap (te vinden in de dbnl). Ik meen me te herinneren dat hij zich in dat boek echt kwaad maakt. Daarom denk ik dat hij het zich kwaad maken en zich opwinden reserveert voor zaken waar misschien nog iets tegen te doen is, of die in de toekomst voorkomen zouden kunnen worden. Maar dingen die nu eenmaal zijn zoals ze zijn en gaan zoals ze gaan: jeugdherinneringen, ouder worden, liefde en het soms weer voorbijgaan daarvan, die beschrijft hij constaterend, accepterend, zonder omhaal van woorden. Dat maakte indruk op me toen ik het voor het eerst las en ik vind het nog steeds mooi.

De geur van gedroogde appels, een bundel verhalen die allemaal iets met reizen (o.a. naar poëzie- en literatuurfestivals) te maken hebben, vind ik zeker niet zijn beste boek. Het mooiste (en langste) verhaal eruit is (voor mij) Haarlem Station, maar dat kende ik al omdat het eerder als apart boekje is uitgegeven. De andere verhalen zijn vooral 'meer van hetzelfde': Van Toorn zoals ik hem al ken, met een hoofdpersoon die ik ook al aardig ken. Meestal heet die hoofdpersoon Leeman. In dit boek heeft de hoofdpersoon ook andere namen en soms is de auteur zelf de hoofdpersoon. Ik vond dat een beetje hinderlijk, omdat ik het gevoel had steeds over dezelfde man te lezen, die dan ineens anders heette (en een andere vrouw/vriendin had). De bundel is zo voor mijn gevoel een beetje een rommeltje geworden en is daarom en ook omdat ik niet alle verhalen boeiend vond, niet het boek dat ik iemand zou aanraden om met Van Toorn kennis te maken. Daarvoor kun je beter een van zijn oudere boeken nemen. Maar voor wie al van zijn werk houdt (ik kan me haast niet voorstellen dat zich onder de lezers van dit blog zo iemand verschuilt, want ik heb sinds ik zijn werk heb leren kennen nog maar twee mensen ontmoet die ook van Van Toorn hielden, waarvan de eerste degene was door wie ik hem ben gaan lezen, maar ze moeten wel bestaan natuurlijk want anders werden zijn boeken niet verkocht) is deze bundel toch wel het lezen waard.

Leuk!

Hoe bedenk je het: deze Boekenweekpostzegel is een echt boekje! Ontwerp: Richard Hutten. Verhaal: Joost Zwagerman.
Lees meer op BoekenDingen.

dinsdag 2 maart 2010

Boek&bieb 26



















Onderstaand stukje over een bibliotheek en een bibliothecaris (en over een lezer) komt uit Sprakeloos van Tom Lanoye. (De omhoog schietende 'ze' zijn ballonvaart-ballonnen.)

Omhoog schieten ze, langs de pui van ons relatief jonge stadhuis, omhoog langs de façade van onze eeuwenoude cipierage - een gewezen gevangenis die in je jeugd nog heeft gediend als, oh symbool, bibliotheek, en waarvan ze binnenkort, oh teken des tijds, lofts willen maken, zoals ze tegenwoordig van alles lofts willen maken, zelfs van gewezen bibliotheken waarin jij ooit nog je ogen hebt mogen kapot lezen, zonder daar ooit een moment spijt van te krijgen, en waar op een bepaald ogenblik niet één boek meer overbleef dat je, volgens jouw leeftijdscategorie, mocht lezen, en waar vervolgens de bibliothecaris - zijn nagedachtenis weze in ere gehouden, zijn naam geprezen, zijn bloedlijn gezegend - jou de toestemming verleende om te beginnen aan de boeken van de volgende categorie, op voorwaarde dat je er met niemand over sprak, en zo geschiedde.

Het gebouw rechts op de foto is de voormalige cipierage/voormalige bibliotheek van Sint-Niklaas, de stad waar de ik-figuur van het boek opgroeide.

Foto: Flickr, gemaakt door
: Alexander Freitas (Erf-goed.be)

maandag 1 maart 2010

Vier lezers













Vanmorgen in de trein, tussen Leiden en Hoofddorp, las ik in Sprakeloos van Tom Lanoye. En wat ik las beviel me zó dat ik vanzelf begon te glimlachen. Ik dacht: als iemand me nu ziet ben ik misschien wel reclame voor lezen. Naast me, aan de andere kant van het gangpad, zat een man die ook las: Verzameld werk van Plato, deel 17. De man was jong en had een leren jekje aan met een capuchon met bontrand. (Dit even i.v.m. de beeldvorming.) In Nieuw-Vennep stapte een vrouw in (ook jong) die een boek in haar hand had, waar ze meteen (naast de man van Plato) in ging zitten lezen. De titel was Het Geluk Project. Ik dacht: het gaat steeds meer op leesreclame lijken.

Omdat ik moest (glim)lachen om het gedeelte uit Sprakeloos, kwam me een ander boek in gedachten waar ik ook onderweg om heb gelachen (wat inmiddels alweer twee jaar geleden is, het overkomt me maar zelden): Postkantoor van Bukowski. In Hoofddorp moest ik eruit. Tegen de deuren hing een lezende jongeman, die enigszins verdwaasd opkeek en een stap opzij deed, zodat de deur openkon, en daarna meteen verder las. Hij las Bukowski. (De titel kon ik niet zien, maar gezien de kaft moet het Notes of a Dirty Old Man geweest zijn).

Wat ik hiermee wil zeggen? Eigenlijk niks. Of misschien dat het soms net lijkt of er samenhang bestaat tussen de dingen. Of dat het best leuk kan zijn in de trein. Of dat er nog altijd mensen lezen. Of dat ik nog steeds niemand met een e-reader heb gezien in de trein. Of dat ik erg benieuwd ben naar de rest van Sprakeloos. Of dat ik wel zou willen weten of die man de voorgaande 16 delen van Plato ook gelezen heeft. En of die mevrouw het geluk zal vinden. En of die jongeman Postkantoor kende. Maar verder eigenlijk niks.



zondag 28 februari 2010

Blogbrief uit Rotterdam-West (2)


















Dag Henk,

Veel dank voor je brief. Boeiend om te lezen hoe je in de bibliotheek bent terechtgekomen en hoe het je daar verging. Grappig is dat wij onze bibliotheekcarrière enigzins op dezelfde manier begonnen zijn, met dit verschil dat er bij mij van een carrière verder geen sprake is geweest... Dit klinkt natuurlijk onbegrijpelijk, maar ik zal het uitleggen. Toen ik op de middelbare school zat was mijn moeder vrijwilligster in de bibliotheek van het dorp (een forenzenplaats op zo'n 20 km van Rotterdam) waar wij toen woonden. Ik denk dat ze er een avond per week werkte, misschien ook wel twee. Soms ging ik dan ook naar de bibliotheek en dan mocht ik wel eens wat opruimen of kaartjes op volgorde zetten, althans zo herinner ik het me. En ik meen me ook te herinneren dat ik daardoor op het idee gekomen ben dat ik wel in een bibliotheek zou willen werken.

Ik had dan ook het plan (nog tamelijk vaag, maar het was toch het meest concrete toekomstplan dat ik had) om na de middelbare school naar de Bibliotheekschool (of hoe die destijds heette) te gaan. Nu was het zo dat twee meisjes met wie ik in de klas had gezeten, maar die een jaar eerder eindexamen deden dan ik omdat ik een keer was blijven zitten, ook naar de Bibliotheekschool wilden. Zij gingen inderdaad, hielden er allebei al snel mee op en zeiden tegen me: Niet doen, het is heel vervelend! En dat geloofde ik en ik hield me aan hun advies. Pas veel later, toen ik mijn huidige baan al had en van collega's wel eens wat over hun bibliotheekopleiding hoorde, dacht ik: het was misschien toch best wat voor me geweest. Een van de collga's kon b.v. met veel weemoed vertellen over de lessen van Kees Fens, en hoe ze daar van genoten had. En een andere collega vertelde wel eens over wat ze allemaal over literatuur geleerd had. Dat klonk ook heel interessant en aanlokkelijk.

Maar goed, mijn bibliotheekcarrière ging dus niet van start. Wat wel begon was een zoektocht naar 'wat dan wel?' Een vraag die eigenlijk nooit beantwoord is, behalve door tijd & toeval (die, zoals je je nog uit Prediker zult herinneren, ons allen treffen). Ik deed een poging tot studeren, ik probeerde de verpleging, deed een nieuwe studie-poging (die eindigde met het kandidaatsexamen sociologie) en vervolgens trouwde ik (21 jaar oud). En toen moest er geld komen en ging ik werk zoeken. Dat vond ik niet erg, want de studie zei me toch niet veel meer.

Het probleem was natuurlijk dat ik eigenlijk nog steeds niks nuttigs geleerd had, dus werk vinden was niet zo simpel. We leefden van de studiebeurs van mijn man: 500 gulden in de maand, dat ging net, maar wat aanvulling was natuurlijk welkom. Na een half jaar (geloof ik) had het Arbeidsbureau iets voor me: op de boekhouding van een expeditie- en opslagbedrijf in de Rotterdamse haven. (Het kantoor zat toen nog in een woonwijk, later verhuisde dat ook naar het havengebied.) Computers speelden al wel een rol bij het boekhouden, maar bevonden zich nog in een speciaal gebouw: het Computercentrum. Mijn taak bestond uit het invullen van gegevens op zogeheten ponsconcepten (soort formulieren). Die concepten gingen dan naar de ponstypistes die ze overtikten op ponsbanden. Die ponsbanden gingen vervolgens naar het Computercentrum om daar 'ingelezen' te worden. En dan kwamen de uitgeprinte gegevens weer naar onze afdeling. (Dit voegt eigenlijk niks toe aan mijn verhaal, maar ik vind het toch leuk om het op te schrijven, omdat het zo pré-historisch aandoet.) Het werk beviel me wel, maar de neiging een boekhoudcursus te gaan volgen heb ik nooit gevoeld.

Ik werd moeder toen ik 28 was en kreeg in totaal drie kinderen. Ik ben altijd (part-time) blijven werken en had het daarnaast natuurlijk druk met het huishouden, de was, kinderen naar school en zwemles brengen, kleren kopen, enz. enz.

Ik werkte ruim 20 jaar bij het havenbedrijf, maakte de komst van de pc mee, kreeg ook ander, vergelijkbaar, werk te doen (opslagadministratie), had aardige collega's en had het best naar mijn zin en hoopte daar eigenlijk mijn pensioen te halen. Maar dat liep anders: het bedrijf ging, na een paar keer verkocht te zijn, failliet. En toen was ik dus werkloos (en ruim in de 40). Nog steeds had ik eigenlijk niks nuttigs geleerd (had ik nou tóch maar dat boekhouddiploma gehaald...), dus weer viel het niet mee om werk te vinden. Ik vulde mijn dagen o.a. met mezelf wat computervaardigheden bijbrengen en op de basisschool waar toen nog twee van mijn kinderen opzaten af en toe meehelpen, o.a. door elke week mee naar zwemles te gaan. Ik merkte dat ik in de supermarkt zomaar gesprekjes begon met vreemde mensen, iets wat ik voorheen van anderen altijd heel stom vond.

Ik solliciteerde als ik wat geschikts zag (dat moest natuurlijk ook vanwege de ww-uitkering) en ik schreef me in bij een paar uitzendbureau's. Dat laatste leverde na een jaar iets op: Randstad had een baan op de financiële administratie van ProBiblio, in Schiedam. Het werk dat ik daar zou moeten doen was precies wat ik altijd gedaan had: crediteurenadministratie. Men zat erg omhoog omdat mijn 'voorganger' zomaar ineens was weggebleven en ik kon meteen beginnen. Ik herinner me dat ik op het sollicitatiegesprek vroeg of ze me niet te oud vonden (domme vraag, dat geef ik toe, maar mijn ervaring was dat men dat meestal vond), maar mijn toekomstige cheffin antwoordde: Ik ben zelf ook niet meer zo piep. (Zij was ouder dan ik.) Dat beviel me wel. En het werk beviel me ook. Totdat... Maar daarover later, want deze brief is inmiddels wel lang genoeg. We moeten tenslotte ook een beetje met onze mee-lezers rekening houden ;-)

Op je vraag wat ik, als ik het over kon doen, voor werk zou kiezen zal ik ook een volgende keer ingaan. Ik vind het inderdaad eigenlijk een zinloze vraag, maar dat betekent bepaald niet dat ik me nooit bezighoud met dit soort bespiegelingen. Ik denk, 'met de kennis van nu', dat ik misschien wel het liefst jeugdbibliothecaris had willen worden! Later vertel ik waarom.

Je foto's zijn mooi. Ik kom je naam ook regelmatig op Flickr tegen als ik een illustratie bij m'n blogstukjes zoek. Zelf zal ik het moeten doen met foto's van anderen. Ik maak af en toe in de vakantie wel foto's, maar dan staat er vaak een knopje verkeerd ofzo. En mijn woonomgeving heb ik nog nooit gefotografeerd. Ik ga ter illustratie van deze brief maar 's op zoek naar een foto van de moskee die hier op 5 minuten loopafstand vandaan staat. Je kent hem waarschijnlijk wel, want hij is te zien vanuit de trein. Mijn dochter hoorde een keer in de trein een meisje tegen haar moeder zeggen: 'Kijk, de Efteling!'

Wat ik, naar aanleiding van je brief, wel zou willen weten: die sollicitaties naar bibliotheken buiten Zeeland, waren die omdat je gewoon iets anders wilde, of omdat je Zeeland uit wilde?

En in een reactie schreef je dat je vaker correpondenties hebt gevoerd. (Dat geldt voor mij ook.) Wil je daar eventueel wat over vertellen?

Dat was het dan voor vandaag. Wordt vervolgd!

Hartelijke groet, schrijverdezes


Foto: Flickr, gemaakt door Miek37.

zaterdag 27 februari 2010

Stukje (2x)


















ZB Digitaal is momenteel even uit de lucht. D.w.z.: ik hoop maar dat het voor 'even' is, want het duurt inmiddels eigenlijk al te lang. Naar wat de reden ervoor is moeten we raden, maar veel goeds kan het niet wezen vrees ik, want de man achter dit weblog heeft nog maar zelden een dag overgeslagen (behalve, hooguit, als hij met vakantie was).

Ik weet niet of hij het zelf op zijn blog geplaatst zou hebben, maar nu doe ik het in elk geval even, als een klein teken van solidariteit, meeleven of wat precies nodig of wenselijk is (zoals ik al zei kunnen we voorlopig slechts gissen naar oorzaak en aanleiding van de blogstilte). Zie hier een stukje dat komt van Rubicon: informatietechnologie vóór mensen, dóór mensen! , waar ongetwijfeld veel (zo niet alle) fans van ZB Digitaal zich in zullen kunnen vinden:

Zeeuwse Bibliotheek - www.zbdigitaal.nl
Bij het lezen van de naam "Zeeuwse Bibliotheek" zullen wellicht weinig mensen denken aan een innovatieve organisatie. Toch is dit het geval, dankzij een gepassioneerde medewerker is het weblog ZBDigitaal één van de meest populaire weblogs in Nederland. Lezers worden iedere dag geattendeerd op nieuwe ontwikkelingen op het gebied van internet, marketing, communicatie en cultuur. Het weblog won hierdoor in 2008 één van de felbegeerde Dutch Bloggies. Het weblog neemt het stoffige beeld van bibliotheken weg en plaatst de bibliotheek midden in de digitale wereld.


'Hear hear!' zou Kaatje Kater in Het Bureau zeggen...

Hier vind je het stukje bij Rubicon.


Schilderij: Charley Toorop (1891-1955), Aan de toog, 1933

Zaterdagmiddag, Bibliotheek 010, vervolg























Een week geleden schreef ik een stukje over een ervaring in de Centrale van Bibliotheek Rotterdam. Ik kreeg daar ook enkele reacties op van mensen uit die bibliotheek, o.a. deze:

Hoi Schrijverdezes,

Ik voelde me aangesproken, niet beledigd. Ik was, ben blij met je tekst. Dat had ik er ook wel bij mogen zeggen. De bibliotheek verandert langzaam. De wereld om ons heen verandert veel sneller. Ik denk dat het steeds meer toestaan in de bibliotheek niet de oplossing is. De jongelui eruit gooien ook niet. Wat in de wijkbibliotheken al jaren speelde, speelt nu steeds meer in de grote bibliotheek ook. Ik ben een bibliotheekmens. Ik hou van boeken, ik hou van informatie zoeken en verstrekken, van doorgeven, van ordenen en puzzelen. Ik pas niet meer in de moderne bibliotheek. Ik droom van een ouderwets uitleencentrum. Een enorm boekenmagazijn waar nerds zoals ik de weg weten, de boel ordenen, opruimen, onderhouden. Ik vind het een hele droevige ontdekking. Tijd om een baantje achter de schermen te gaan zoeken, voordat ik iemand over de reling gooi.



Ik vind het, net als de schrijver/ster van dit stukje, een droevige ontdekking dat iemand die zichzelf een 'bibliotheekmens' noemt, die van boeken houdt, van het zoeken en verstrekken van informatie, van doorgeven en puzzelen, dat zo iemand moet concluderen dat er in de moderne bibliotheek geen plaats meer voor hem/haar is, althans niet in het publieksgedeelte van die bibliotheek.

Wat is er dan eigenlijk zo anders aan een 'moderne bibliotheek'? Het lijkt me dat het in de bibliotheek van nu net zo goed als in die van vroeger nog steeds zou moeten draaien om boeken en om informatie zoeken/doorgeven/verstrekken. Daar ben je als bibliothecaris toch voor? De schrijver (m/v) van het stukje weet ongetwijfeld dat er tegenwoordig in de bibliotheek meer te vinden en door te geven is dan alleen boeken. Dat lijkt me het probleem niet. Het probleem wordt gevormd door al die andere dingen waar je in de moderne bibliotheek mee te maken hebt: overlast, rommel, ongeduldige mensen, zich vervelende pubers. Als je je heil achter de schermen wilt gaan zoeken omdat al díe aspecten, die tegenwoordig ook tot de taken van een 'bibliotheekmens' lijken te horen, je teveel worden, dan is er iets (grondig) mis volgens mij.

Waar is de wc? Waar kan ik kopiëren? Waar kan ik wisselen? Waar kan ik op internet? Heeft u een pen voor me? Ik heb mij eens door een bibliotheekmens laten vertellen dat dát de meest gestelde vragen zijn.

En als je dan verder nog 's de hele tijd moet zeggen: Wilt u wat zachter praten; wil je je rommel in de prullenbak stoppen; hé jongens gaan jullie 's naar buiten; niet rennen; hier wordt niet met boeken gegooid; kan die muziek (op je hoofd) wat zachter, enz. enz. (en als dan de klanten er ook nog 's blogstukjes over gaan schrijven...), dan kan ik me goed voorstellen dat je soms de neiging krijgt iemand over de railing te kieperen en denkt: geef mij voortaan maar iets te doen in de back-office.

Ik schreef vorige week dat ik vond dat het personeel vaker een rondje zou moeten lopen. Ik dacht toen aan het 'gewone' bibliotheekpersoneel, de bibliothecarissen dus. Dat was een verkeerde gedachte. Het zou vast geen kwaad kunnen wat betreft de orde, maar het zou waarschijnlijk, zo heb ik inmiddels begrepen, wél kwaad kunnen voor de mensen die het moeten doen. Er is een grens aan de hoeveelheid die je kunt verdragen van de zaken die ik hierboven noemde. En hoe meer je rondloopt, hoe meer je ermee geconfronteerd wordt.

Ik denk daarom inmiddels dit (en ik besef heus wel dat dat geld kost en alleen dáárom al niet zo simpel is): de orde zou vooral bewaakt moeten worden door speciale aardige maar indrukwekkende ordebewakers, die goed met lastige types overweg kunnen, die vriendelijk zijn voor iedereen die vraagt naar de wc/het kopieerapparaat/de openingstijden, die misschien een zakje wisselgeld bij zich hebben en een paar pennen, die oude dametjes helpen om hun rollator in de lift te zetten, die met klierende jongens een praatje maken, die de taal van de straat kennen en toch beschaafd zijn. Kortom: echt goeie beveiligingsmensen. Dan kunnen de bibliothecarissen weer het soort informatie verstrekken waar mensen een bibliothecaris voor nodig hebben. En dat zo'n bibliothecaris dan gewoon af en toe ontspannen een rondje kan lopen omdat de orde al bewaakt wordt door anderen. Ja, dat zou mooi zijn. Dan zou je misschien wel nooit meer van een groot boekenmagazijn dromen... Of van een plaats achter de schermen.

Nog even iets over dat 'steeds meer toestaan in de bibliotheek'. Ik weet niet hoe de schrijver/ster van de reactie denkt over eten en praten in de bibliotheek. Ik zelf denk dat dat allebei 'moet kunnen'. Als je zoals in de Centrale van Bibliotheek Rotterdam overal leuke hoekjes maakt met een soort 'eethoeken' van vrolijk gekleurde tafels en stoelen en als bezoekers daar dan vervolgens alleen maar mogen zitten zwijgen en hooguit een slokje nemen uit een flesje water, dan vind ik die leuke hoeken eigenlijk nep. Zet dan maar liever strenge bruine stoelen neer en tafels met een bordje met 'niet praten, niet eten, niet bellen' erop. Dan weet iedereen waar hij aan toe is en gaan de scholieren wel ergens anders heen.

Zelf vind ik het leuk dat er vaak groepjes scholieren zitten te werken in de bibliotheek. Ik geloof ook dat de bibliotheek daar een mooie plaats voor is: voor het maken van huiswerk als je thuis teveel wordt afgeleid door de tv of je broertjes en zusjes of je Hyvesvriendjes, of voor het maken van een werkstuk als je met z'n vieren moet werken. En dan moet je ook kunnen praten en wat eten en drinken vind ik. 'Niet te hard praten en je rommel in de prullenbak' dát zou wel hier en daar op een bordje kunnen staan. (Al zou iedereen het natuurlijk eigenlijk uit zichzelf moeten begrijpen.) En het beleid moet duidelijk zijn. Ik heb een keer gezien dat een groepje scholieren op hun kop kreeg omdat ze een zak chips hadden. 'Je weet best dat dat niet mag,' zei de bibliotheekmevrouw. Maar mijn dochter gaat soms met een vriendin met een thermosfles en koekjes in de bibliotheek zitten leren en daar heeft nog nooit iemand wat van gezegd. (Mijn dochter ziet het, tussen haakjes, trouwens als een voordeel dat je in de Centrale Bibliotheek geen draadloos internet hebt. Want dan heb je tenminste geen afleiding. Dat is juist de reden dat ze erheen gaat.)

En als die meisjes met die chips nou ook nog 's net toevallig bruin zijn en ze zien dan dat andere meisjes die toevallig wit zijn wél mogen eten (of andersom), dan heb je de poppen natuurlijk nog extra aan het dansen en dat is dan toch een beetje je eigen schuld (als bibliotheek). Misschien is de regel wel dat eten niet mag en houdt de een er de hand aan en de ander niet (meer), maar dat is toch wel erg verwarrend. En die meneer die 'ssst' zei tegen die jongetjes bij de multi-touchtable die helemaal geen herrie maakten, die wekt ook verwarring in de hand. Want als je zo'n ding neerzet met spelletjes erin, dan moet je vervolgens niet verwachten dat kinderen die zonder geluid te maken gaan spelen.

Ik vond het leerzaam. Iedereen hartelijk dank voor zijn/haar reacties. En ik ga straks weer naar de bibliotheek. Nieuwe avonturen beleven.


Foto: Flickr, gemaakt door roryrory.

donderdag 25 februari 2010

Wat ik las 38

Bijna een maand geleden (op 27 januari) overleed J.D. Salinger. Een jaar of acht geleden kwam ik op mijn werk een nieuwe uitgave van De vanger in het graan tegen en dacht: dat moet ik nu toch maar eens gaan lezen. Ik las het en vond het een aardig boek, maar was er onvoldoende van onder de indruk om meteen meer van Salinger te gaan lezen. Maar door wat na zijn dood her en der over hem geschreven is, werd mijn belangstelling voor zijn andere werk alsnog gewekt. Vooral dat ik ergens las dat Een perfecte dag voor bananenvis, uit de bundel Negen verhalen, een van de beste verhalen is die ooit geschreven zijn, maakte me (uiteraard) nieuwsgierig. Negen verhalen kon ik zo gauw niet vinden, maar ik vond wel Heft hoog de nokbalk, timmerlieden en Seymour, een introductie. En toen ik de opdracht in dat boek gezien had besloot ik het te gaan lezen. Dit is die opdracht:

Als er nog een lezer op de wereld over is die voor zijn plezier leest - of iemand die gewoon links en rechts wat doorkijkt - vraag ik hem of haar, met onuitsprekelijke genegenheid en dankbaarheid, de opdracht van dit boek te delen met mijn vrouw en twee kinderen.

Een boek met de titel Heft hoog de nokbalk, timmerlieden en Seymour, een introductie kan bijna geen doorsnee-boek zijn. En dat is het dan ook niet. Ik zou liegen als ik zei dat ik het helemaal begrepen heb, maar ik heb er in elk geval voldoende van begrepen om het te waarderen. Om het echt op waarde te schatten zou ik het zeker twee keer en waarschijnlijk vaker en in ieder geval langzamer moeten lezen, maar daar is het nog niet van gekomen en ik weet ook niet of het er van zál komen. Dat hangt o.a. een beetje van die bananenvis af, waarnaar ik nu opnieuw op zoek ga.

Het boek bestaat min of meer uit twee verhalen, maar die vormen voor mijn gevoel eigenlijk een geheel. Hoofdpersoon in beide verhalen is Seymour, verteller is zijn twee jaar jongere broer Buddy. Het eerste verhaal gaat over de trouwdag van Seymour in New York, 1942, waar Buddy, die dan 23 jaar is, als enig familielid van de bruidegom naartoe gaat. Seymour komt echter niet opdagen en Buddy stapt met enkele andere bezoekers in een taxi om toch maar naar de plaats te gaan waar de receptie gehouden zal worden. De taxi komt vast te staan vanwege een demonstratie en de passagiers gaan naar een restaurant omdat het vreselijk warm is en omdat een van hen wil bellen met de familie van de bruid. Het restaurant blijkt gesloten en Buddy stelt voor naar de flat van zijn zus te gaan, die daar vlakbij is en waar Seymour en hij ook wel eens gebruik van maken. Hij weet dat zijn zus op reis is. Hij zet de airco in de flat aan en zegt dat hij iets te drinken zal maken. Hij vindt het dagboek van Seymour en gaat daar een tijdje op de rand van het bad in zitten lezen. Er blijkt uit dat Seymour gelukkig is. Buddy maakt coktails en neemt zelf een groot glas whisky, hoewel hij niet veel drank kan verdragen. In het telefoongesprek dat een van de andere bruiloftsgasten heeft gevoerd is gebleken dat de bruidegom zich inmiddels gemeld heeft en dat hij en de bruid samen zijn vertrokken. De anderen gaan toch maar naar het huis waar de 'receptie' zonder bruidspaar gehouden wordt en Buddy valt in slaap en wordt na 1 1/2 uur met barstende hoofdpijn wakker.

In het tweede verhaal probeert de inmiddels 40-jarige Buddy een portret te schrijven van zijn broer Seymour. Uit het verhaal blijkt dat Seymour op 31-jarige leeftijd een eind aan zijn leven heeft gemaakt, omdat hij zo gelukkig was. (Dat Seymour zelfmoord had gepleegd was in het begin van het eerste verhaal ook al even gaan de orde geweest, maar pas in het tweede verhaal drong het echt tot me door.) Buddy en Seymour zijn de oudste twee jongens van het gezin Glass, dat zeven kinderen telt. De ouders waren aanvankelijk variété-artiesten, maar zijn daarmee gestopt. Wat ze daarna zijn gaan doen ben ik vergeten (of het wordt niet vermeld). De kinderen (of een aantal van hen, dat weet ik ook al niet) spelen jarenlang een rol in een soort discussieprogramma voor kinderen op de radio. Seymour en Buddy gaan vaak naar de bibliotheek.

Buddy probeert te beschrijven hoe Seymour was en vertelt voorvallen uit hun jeugd en beschrijft zijn uiterlijk. Het beeld dat dat oplevert is voor mijn gevoel meer een beeld van de enorme bewondering en liefde van Buddy en de andere kinderen van het gezin Glass voor hun oudste broer, dan van die broer zelf. Maar ik zei al dat ik het boek minstens nog een keer zou moeten lezen om het beter te doorgronden.

Buddy schrijft verhalen en laat die aan zijn broer lezen. Hij neemt in het boek een aantal van de commentaren over die Seymour op die verhalen gaf. In een daarvan staat dit:

Sluit alsjeblieft vrede met je geestigheid. Die gaat niet weg, Buddy. Die op je eigen advies lozen zou net zo slecht en onnatuurlijk zijn als je bijvoeglijke naamwoorden lozen omdat professor B. dat wil. Wat weet hij ervan? Wat weet je nou eigenlijk over je eigen geestigheid?

Die passage trof me omdat dat vrede sluiten met die geestigheid nou net was wat ik al het hele boek probeerde te doen. In De vanger in graan was het me niet gelukt: ik herinner me (vaag) dat ik toen aan iemand vertelde dat ik dat boek gelezen had en het best aardig vond, maar me had gestoord aan het (voor mij) te hoge Adrian Mole-gehalte. Dat dit alleen duidelijk is (of kan zijn) voor wie iets uit de Adrian Mole-serie gelezen heeft begrijp ik, maar het is lastig uit te leggen. Het gaat voor mij over net iets te leuke formuleringen of misschien over een net iets te groot aantal van dergelijke formuleringen. Ze zijn niet slecht, maar voor mij vormen ze een overdosis.

In Heft hoog enz. is het me tenslotte gelukt me met de geestigheid te verzoenen. Ik heb het gevoel dat het aantal geestigheden minder was dan in De vanger. Het kan ook zijn dat ik me gewonnen heb gegeven. Dat is me bij Grunberg tenslotte ook overkomen. Soms zijn geestigheden misschien gewoon nodig om een drama 'überhaupt' te kunnen vertellen. (Bij Adrian Mole geldt dit volgens mij niet: dat is voor mijn gevoel alleen maar 'leuk bedoeld' en de een houdt daar nou eenmaal van en de ander niet.)

Voor informatie over de stijl van Salinger verwijs ik naar het stuk dat Ton de Kruyff over hem schreef. 'Schilderen met woorden' noemt hij het. Ik had het niet kunnen bedenken, maar ik kan me er helemaal in vinden. En hier las ik dat het bananenvisverhaal een van de beste verhalen ter wereld is. T.z.t., als ik het gelezen heb, hoop ik er op terug te komen.

woensdag 24 februari 2010

Hoofdzaken




Bij Jan Klerk viel te lezen over arrogante randstedelingen die het volk literatuur door de strot willen duwen en niet weten waar 'gewone' mensen mee bezig zijn. Op BoekenDingen zag ik het bovenstaande filmpje, dat me het absolute tegendeel daarvan lijkt. Ik vond het prachtig en omdat er mensen schijnen te zijn die wel dit blog lezen maar BoekenDingen niet (jullie doen je zelf tekort, echt!), zet ik het ook maar even hier. (Met dank aan Tenaanval voor haar twitterbericht.)

Mensen die nu misschien denken dat ik het niet meen, b.v. omdat ze weten dat ik roze een vreselijke kleur vind, vergissen zich: ik vind het filmpje (en vooral het idee erachter natuurlijk) echt geweldig, really fántástic zogezegd. Bovendien: ik heb een panterbloes, die ik jaren gedragen heb en om sentimentele redenen nog steeds bewaar. En ik lees wel 's een boek. En ik zou met veel meer plezier naar de kapper gaan als daar boeken waren en mensen die ze lazen.