WELKOM OP MIJN WEBLOG

Dit blog is in de loop der jaren veranderd. Ooit ging het vooral over de bibliotheek, nu gaat het meer over lezen en taal. (Wie denkt: de bibliotheek gaat toch óók over lezen en taal, ziet dat anders dan ik.) Ooit werd het elke dag bijgehouden, nu minder regelmatig. Wat hetzelfde gebleven is: opmerkingen zijn van harte welkom.

dinsdag 25 februari 2014

Woorden en daden 2, antwoord aan Tenaanval


















Tenaanval schreef onder de titel 'Laaggeletterden als strohalm' op haar blog een reactie op mijn stukje over de bibliotheek en laaggeletterdheid. Hier volgt mijn antwoord.

Ha Tenaanval,

Net als jij vind ik reactievelden lastig om in te schrijven, bovendien vind ik het leuk om een aanleiding tot een blogpost te hebben, dus ik antwoord je op deze manier.

Zeer bedankt voor je reactie! Ik heb net, 'met de kennis van nu', de reportage nog een keer bekeken. Ik merkte dat ik het aantal laaggeletterden niet goed onthouden had, dat was 1,3 miljoen. Stichting Lezen & Schrijven heeft het al tien jaar over een aantal van 1,5 miljoen.

Ik vond het best een leuk programma, maar hoe jij het genuanceerd kunt noemen begrijp ik niet goed. Iedereen vond en zei hetzelfde en aan niemand werd ook maar één kritische vraag gesteld. De kern was 'de bieb moet blijven', het argument daarvoor was het hoge aantal laaggeletterden. Dat ik op twitter in gesprek raakte met Conny en Caroline, een gesprek waar de rest van deze discussie een gevolg van is, kwam omdat het me verbaasde dat niemand vroeg hoe het komt dat er zoveel laaggeletterden zijn terwijl er toch tot voor kort nog overal bibliotheken waren.

Er zijn nog wel meer vragen die ik graag gesteld en beantwoord had willen zien, bijvoorbeeld hoe dat aantal van 1,3 miljoen vastgesteld  is, of daar onderzoek naar is gedaan en zo ja hoe dan? En wat is precies laaggeletterd, wanneer komt iemand voor dat etiket in aanmerking? Zijn er tests voor? En het bedrag van 560 miljoen euro dat laaggeletterdheid de samenleving zou kosten, ook al zoiets ongrijpbaars. Wat zijn dat voor kosten? Bijstandsuitkeringen omdat veel laaggeletterden geen werk kunnen vinden? Dat zou best eens kunnen, maar als die mensen wél zijn opgeleid, dan zijn er nog steeds geen banen voor ze, want ook veel 'geletterden' zijn zonder werk.

Wat je schreef over de discussie van enkele jaren geleden over de Lees & Schrijf- en Makkelijk Lezen-pleinen in de bibliotheek, dat vond ik wel onthullend. Ik heb daar ook iets van gemerkt in de tijd dat ik zelf nog in de bibliotheekwereld werkte, ik was het inmiddels vergeten maar het kwam weer boven. Ik herinner me een presentatie van een marketingdeskundige die liet zien hoe zo’n nieuw ingerichte bibliotheek er dan uit zou kunnen zien. Je kon verschillende modules bestellen en ik geloof zelfs dat ik toen nog gevraagd heb of er ook iets voor grote-letterboeken bij was en daar was inderdaad een kast voor bedacht. En voor baby's was er ook wat. Maar de pleinen die eerder al ontworpen waren voor mensen die niet zo goed kunnen lezen, die pasten niet in het concept, dus die zouden helaas moeten verdwijnen. Was Conny toen ook in de zaal, om zich daartegen te verzetten? Anders zal ze dat ongetwijfeld elders gedaan hebben.

Dat tij is nu dus blijkbaar gekeerd, maar het laat volgens mij wel zien dat de bibliotheek een beetje zwalkt in haar aandacht voor laaggeletterden. Ik zou dan ook als wethouder met de bibliotheek in mijn portefeuille eerst graag een paar duidelijke afspraken willen maken voor ik besloot de bibliotheek te blijven subsidiëren vanwege de laaggeletterden. Wat Frank Huysmans in zijn reactie schreef zou ik zeker ter harte nemen:

Gemeenten doen er, als voornaamste subsidiegevers van het openbaar bibliotheekwerk, dan ook goed aan de bibliotheken bij de les te houden en te verlangen dat zij hun leesonderwijsondersteunende rol versterken. Lukt dit hun niet, dan kan dit deel van de bibliotheeksubsidie natuurlijk beter worden besteed aan andere partijen die dit wel voor elkaar krijgen.

Ik begreep uit de reactie van cajunlady dat bibliotheken subsidie kunnen krijgen van het SIOB, speciaal voor de bestrijding van laaggeletterdheid. Begrijpelijk dat bibliotheken daar gebruik van willen maken. Maar dergelijke projectsubsidies houden meestal weer een keer op. Vaak is dat het geval als een programma na een paar jaar net goed begint te lopen.  En dan zal de bieb weer iets nieuws moeten zoeken om indruk mee te maken op subsidieverstrekkers.

Wat Frank Huysmans in de reportage vertelde, dat in Noord-Europa het bestaan van en de toegankelijkheid tot bibliotheken iets is dat totaal niet ter discussie staat, dat is in Nederland helaas niet gelukt. Of dat aan de bibliotheek ligt of aan de politiek, wie het weet mag het zeggen. Misschien kan het er alsnog van komen. Maar dan zal veel duidelijker moeten worden waar de bibliotheek voor staat en vooral: hoe dat in de praktijk vorm krijgt. En dan zijn er in de bibliotheek naast marketeers en onderwijsspecialisten en ict-ers en informatiespecialisten en social media-kenners en noem ze allemaal maar op, óók mensen nodig die zelf veel van lezen houden en die vinden dat iedereen in elk geval de kans moet krijgen veel van lezen te gaan houden.

Hartelijke groet, schrvrdzs

p.s. Wat mij betreft mogen mensen die denken met een campagne als Igeekdebibliotheek de bieb te redden meteen elders hun diensten gaan aanbieden.
p.s. 2 Cajunlady schreef 'wiens brood men eet, diens woord men spreekt' en dat deed me denken aan 'wie betaalt, bepaalt'. Dat combinerend met het feit dat Stichting Lezen & Schrijven, zoals Eline in haar reactie vertelde, haar medewerking aan het programma heeft verleend, deed me ineens vermoeden waarom er geen kritische vragen gesteld werden. Maar hier speelt misschien gewoon mijn argwanende aard mij parten.

Schilderij: Gerard Boersma, The Thinker

woensdag 19 februari 2014

Woorden en daden


















Gisteravond raakte ik via twitter in gesprek over een reportage uit het programma Altijd wat, die over laaggeletterdheid en het sluiten van bibliotheken ging. Omdat een gesprek op twitter al snel een rommeltje wordt dacht ik: laat ik proberen er een blogstukje van te maken.

Ik hou van de bibliotheek en ik vind dat de bibliotheek op zo veel mogelijk plaatsen moet blijven. Laat ik dat eerst maar even zeggen. Sommige mensen vinden dat de bieb wel weg kan omdat je toch alles op internet kunt vinden of omdat er e-boeken zijn. Zo denk ik er dus niet over. Ik hou weliswaar van de bibliotheek met een wat wanhopige en onbeantwoorde liefde, het soort liefde dat Edwin Mijnsbergen mooi vergeleek met de tegen-wil-en-dank-liefde die je voor Feyenoord kunt voelen. Het is een rotclub, maar het is wel míjn rotclub, zoiets.

Omdat ik van de bibliotheek hou keek ik gisteravond naar Altijd Wat. Iedereen in de reportage was het er over eens dat de bibliotheek niet weg mag, omdat er zoveel laaggeletterden zijn in Nederland. We zagen een man die tot voor kort niet kon lezen en schrijven en die dat nu geleerd heeft. Hij vertelde hoe blij hij daarmee was en hoe het zijn leven veranderd had en hoeveel hij van de bibliotheek was gaan houden. Dat was dapper en leuk en een beetje ontroerend en je gunt natuurlijk iedere jongere en volwassene die niet kan lezen en schrijven dat hij of zij het zo snel mogelijk alsnog kan leren.

Ik ben eerlijk gezegd vergeten over welk aantal laaggeletterden het gisteren ging, maar vaak wordt het getal van 1,5 miljoen genoemd. En omdat het er zoveel zijn blijkt daar meteen uit dat de bibliotheek hard nodig is, wordt dan gezegd, en is het dus helemaal fout om overal bibliotheken te sluiten. En dan denk ik: waarom vraagt nou nooit niemand in zo’n reportage eens: Tot voor kort waren er nog overal bibliotheken en toch zijn er 1,5 miljoen laaggeletterden in Nederland, hoe zit dat? Zijn die 1,5 miljoen niet te helpen of hebben de bibliotheken dat niet voldoende geprobeerd? Hetzelfde vraag ik me ook af bij de Stichting Lezen & Schrijven. Die bestond onlangs tien jaar en ze zeggen al tien jaar dat ze hard nodig zijn omdat er 1,5 miljoen laaggeletterden zijn in Nederland. Dan denk ik ook: zou het niet overtuigender zijn als je kon zeggen dat er tien jaar geleden 1,5 miljoen waren en nu nog maar 0,5 miljoen? Of voor mijn part 1 miljoen?

De man die in het programma aan het woord kwam was lezen en schrijven gaan leren omdat zijn baas ontdekt had dat hij dat niet kon. Die baas zei toen: Daar gaan we wat aan doen; de man ging naar school en leende boeken bij de bieb. De bibliotheek heeft boeken in huis die geschikt zijn voor volwassenen die net beginnen met lezen. Dat is fijn, maar daar hoeft te bieb niet voor te blijven. Die boeken hadden ook aanwezig kunnen zijn op de school waar die man leerde lezen en schrijven. Dan had hij ze daarvandaan mee naar huis kunnen nemen. Hij was dan misschien niet de bibliotheek als zijn tweede huis gaan beschouwen, zoals hij vertelde en zoals menig bibliothecaris op twitter prachtig vond. Maar misschien waren andere laaggeletterden van de cursus wel blij geweest als ze hun leesboeken meteen mee naar huis hadden kunnen nemen. Want hoe voelt het als je nog maar net kunt lezen en als je dan in de bak met makkelijk-lezen-boeken staat te zoeken en ineens staat de buurvrouw naast je? Dan durf je misschien wel nooit meer naar de bibliotheek. Niet iedereen is zo dapper als die man in de reportage.

Ik heb een beetje de indruk dat de bibliotheek in de laaggeletterden ineens een strohalm ziet om zich aan vast te klampen in deze tijd van onzekerheid. Eerder waren het de zzp-ers die in de bieb kwamen werken en de scholieren die er hun werkstukken zaten te maken. Toen dacht ik ook al: daar heb je de bibliotheek niet voor nodig, dat kan in een café met internet ook. Want die zzp-ers en die scholieren, die komen voor de tafels en stoelen en de wifi, niet voor de boeken. De laaggeletterden komen, áls ze komen, dan nog wel voor de boeken maar ik vraag me af of de bieb de beste plaats is om die boeken neer te zetten. Vanwege die buurvrouw. 

Natuurlijk moet er zoveel mogelijk gedaan worden tegen laaggeletterdheid. Elke volwassene die wil leren lezen en schrijven moet een cursus kunnen volgen, net zolang tot het gelukt is. Er zou geen kind meer de school mogen verlaten dat niet goed genoeg kan lezen. Iedereen gaat minstens tot zijn zestiende naar school, hoe is het dan toch mogelijk dat er 1,5 miljoen Nederlanders rondlopen die niet of nauwelijks kunnen lezen en schrijven? Terwijl er ook al tien jaar een Stichting Lezen & Schrijven is en terwijl de afbraak van de bibliotheeksector nog maar net begonnen is? Snappen jullie dat? Ik niet.

Ik vind het erg belangrijk dat laaggeletterdheid wordt aangepakt en vooral: voorkomen. Ik vind het ook erg belangrijk dat de bibliotheek blijft bestaan. Als plaats waar iedereen die behoorlijk heeft leren lezen en schrijven kan ontdekken wat er allemaal te lezen valt. Hoe niet alleen het feit dát je kunt lezen je leven kan veranderen, maar vooral wát je kunt lezen. Daarom moet de bibliotheek blijven, om dat uit te dragen. Maar dat is een ander verhaal.

Schilderij: Ignat Bednarik

zondag 2 februari 2014

Rotterdam 2014







Twee vrouwen en een man kwamen de bus in. Ze gingen zitten en één van de vrouwen zei tegen de anderen: 'Ik stap nooit in die bus! Ik haat de bus. Ik haat de bus, echwaar, ik hou niet van de bus. Dat komt door dat ongeluk dat ik gehad heb. Hij kwam op mijn wegdek, ik haat de bus, ik stap er nooit in. Ik ging naar mijn werk en ik was te laat en de bus kwam eraan en dan zou ik op tijd komen maar ik stap er nooit in, ik haat de bus. Dat komt door dat ongeluk, niet dat ik er een trauma van heb hoor, maar ik haat de bus. Jullie hebben me overgehaald om in de bus te stappen.'
Ik drukte op de stopknop want ik moest eruit, de andere vrouw zei: 'Die mevrouw gaat eruit door die verhalen van jou.'
De eerste vrouw: 'Ik zal jullie straks op internet de foto’s van m'n auto laten zien, die zat helemaal in elkaar, die bus was zó breed, hij kwam helemaal op mijn wegdek.'
De andere vrouw: 'Was het deze bus?'
De eerste: 'Net zo’n bus, van de RET.'
De andere: 'Was het deze chauffeur?'
Ik moest eruit, kwam langs mevrouw één en zei tegen haar:  'Ik ben dol op de bus.' Zij: 'Ik haat de bus.'
Toen ik al bijna buiten stond hoorde ik de chauffeur naar haar roepen: 'Hé!' 
Dus ik heb vast nog wat gemist.

Plaatje hier gevonden.

donderdag 14 maart 2013

Rotterdam 2013-3



















De uitdrukking 'Ben je in de kerk geboren?' heb ik zelf denk ik nog nooit gebruikt en ik had hem al tientallen jaren niet gehoord. Maar gisteren hoorde ik hem: uit de mond van een gehoofddoekte moslima van een jaar of vijfendertig. Zij en ik waren ergens waar kinderen naar buiten en binnen liepen die allemaal de deur lieten openstaan. Dat begon ons een beetje te ergeren en de vrouw zei: ik zou bijna wat zeggen maar dat gaat niet: ben je in de kerk geboren? Ik trok mijn eigen conclusie waarom het niet ging en zei: in de moskee geboren.

Toen ik dit thuis vertelde bleken mijn huisgenoten niet te weten wat 'ben je in de kerk geboren?' betekende.

Foto hier gevonden.

woensdag 27 februari 2013

Brief aan Tenaanval 2














Ha Tenaanval,

Hartelijk dank voor je antwoord! Bloggen is vaak het leukst als iemand het niet met je eens is, daar zijn we het wel over eens denk ik. Dus spreek ik je nog maar een keertje tegen ;-)

Ik had uit je blogstuk begrepen dat je vond dat een kast of kastje met een willekeurige verzameling boeken geen bibliotheek genoemd mag worden maar dat het om die naam te mogen dragen een overdachte verzameling moet zijn. En daarom vond ik dat zowel zo'n little free library als de Vakantiebieb van de ANWB en de 'collectie' van Leeszaal Rotterdam West in principe hetzelfde zijn. Want bij alledrie is de verzameling boeken volstrekt willekeurig en afhankelijk van 'wat de mensen zoal wegdoen' (ik moet ineens aan Suzanne van Herman van Veen denken). Ik vind dat je dat gerust allemaal 'bibliotheek' mag noemen. Bibliotheek betekent verzameling boeken, en meer niet. En natuurlijk is 'de bibliotheek' iets anders, maar dat snapt toch iedereen? Dus waarom bezitterig doen over die naam? PWA doet toch ook niet moeilijk over de IJskoning? Om maar iets te noemen.

Uit je reactie begreep ik dat je niet alleen de willekeurigheid van zo'n kastje of kast(en) met boeken als argument ziet om iets geen bibliotheek te noemen, maar ook het feit dat er niets met die boeken gedaan wordt. Je zegt dat bij een bibliotheek de collectie wordt ingezet voor andere doelen: educatie, bestrijding van laaggeletterdheid, mediawijsheid. Ik heb daar onvoldoende zicht op maar ik geloof het meteen als jij het zegt en ik juich het van harte toe. Dat is allemaal nuttig en nodig.

Maar het is natuurlijk óók zo dat de bibliotheek voor veel mensen alleen maar de plaats is waar ze af en toe of vaak wat te lezen halen. En die mensen kan het weinig schelen of er in de back-office van die bibliotheek aan educatie en mediawijsheid gedaan wordt. Ze willen gewoon een paar boeken meenemen om te lezen. Of om uit voor te lezen. Of om uit te koken. En dát zijn de mensen die steeds vaker teleurgesteld zijn in de bibliotheek. Omdat de boeken die zij graag lezen er niet meer staan of omdat de bibliotheek alleen open is als zij op hun werk zitten of omdat het filiaal in hun buurt gesloten wordt. En een little free library is daar natuurlijk geen oplossing voor, maar het is, denk ik, een soort signaal: kijk eens, het kan ook anders. Heel veel mensen hebben boeken teveel en heel veel mensen zijn op zoek naar iets te lezen en als we dat nou eens bij elkaar brengen? (Waarom is de bibliotheek daar eigenlijk niet opgekomen? Om ook een kast neer te zetten waarin lezers hun overtollige boeken kunnen zetten die anderen dan weer mee kunnen nemen?)

En ook in die zin is, denk ik, een initiatief als Leeszaal Rotterdam West hetzelfde als die kleine kleurige kastjes: een signaal dat het ook anders kan. Dat als de officiële bibliotheek vertrekt, dat dan de niet-officiële bibliotheek het gaat proberen. En dan krijgen alle echte bibliothecarissen de kriebels, want vrijwilligers, zoals bekend, die weten er niks van. Niks van collectievorming, niks van educatie, niks van het bestrijden van laaggeletterdheid. Maar anderen krijgen er andere kriebels van: het aangename gevoel dat je ook buiten de gebaande paden kunt lopen. Dat je vrijwel zonder geld iets voor elkaar kunt krijgen. Dat je met een ouwe tafel en twintig verschillende stoelen ineens een leuke leestafel kunt hebben. Dat je met boeken die je zelf niet meer hoeft een ander een plezier kunt doen. Dat je in een kastje of kast ineens iets ziet staan dat je graag wilt lezen. En dat je het dan zomaar zonder pasje mag meenemen.

In een erg verlicht moment zou je zelfs kunnen denken dat je hier iets ziet opdoemen van een nieuwe maatschappij...

Maar nu draaf ik natuurlijk veel te ver door.

En wat betreft die ANWB-Vakantiebieb, daar heb je helemaal gelijk in, dat is alleen maar marketing. Maar is het dan niet juist leuk dat voor die marketing iets met bóeken gedaan wordt?

En wat betreft Bibliotheek Rotterdam, daar heb je ook helemaal gelijk in. Uiteraard wordt daar nagedacht over de opbouw van de collectie. Maar ik blijf het toch raar vinden dat oudere boeken van een bekende schrijver die nog steeds schrijft uit de collectie verdwijnen. Waarom kunnen die niet bewaard worden in een aparte zaal met volle hoge kasten, waar de retailgedachte nog geen invloed heeft? Ik zou ze daar graag gaan opzoeken.

Wederom een hartelijke groet, schrvrdzs


p.s. De foto ben ik speciaal voor jou (en natuurlijk ook om hem bij deze brief te kunnen doen) gaan maken in de Leeszaal. Dergelijke kastjes hebben op diverse plaatsen in de wijk buiten gehangen, als reclame voor het Leeszaalfestival van november. Soms verdwenen  niet alleen de boeken maar werd ook het kastje meegenomen. Vandaar waarschijnlijk dat ze nu ter decoratie binnen dienen. De gedachte achter de mini-collectie die zich erin bevindt laat zich eenvoudig raden ;-)

maandag 25 februari 2013

Brief aan Tenaanval


















Ha Tenaanval,

Ik las een paar dagen geleden je blogpost 'Een bieb is een bieb is een bieb?' en voelde de neiging opkomen erop te reageren. Ik dacht: dat zakt wel weer, maar nee. Dus hier alsnog een reactie, in de vorm van een brief. Voel je niet verplicht terug te schrijven hoor!

'“Da’s geen bieb, dat is een verzameling boeken die niemand meer wil hebben.” Dat klinkt misschien een beetje flauw, maar dat is wel precies wat mijn probleem is met al die “little free libraries” die nu overal oppoppen.' schrijf je. Tja, en toen dacht ik meteen ook iets flauws: de bibliotheek, dat is een verzameling boeken die niemand meer wil lezen. Dat is precies wat mijn probleem is met al die bibliotheken die de retailgedachte omarmd hebben.

Maar goed, laten we niet flauw doen. We weten allebei dat we maar ten dele gelijk hebben. De little free libraries worden gebruikt, de bibliotheek ook. In beide kun je soms iets van je gading vinden, soms ook niet.

Op dat idee 'boeken die niemand meer wil hebben' borduur je nog wat door: boeken die DeSlegte niet wil hebben, boeken die van de papiercontainer gered zijn. Dat van DeSlegte kan kloppen, maar dat niemand die boeken meer wil hebben lijkt me onzin. Het gaat om één persoon die ze niet meer wil hebben en die ze daarom beschikbaar stelt voor een ander, die ze misschien best wil hebben. En boeken van de papiercontainer redden, dat lijkt me iets dat alleen maar toe te juichen is.

Ik kom de laatste tijd af en toe in Leeszaal Rotterdam West. Ik heb er een paar maanden geleden een blogstukje over geschreven, dat je denk ik wel gelezen hebt. En er stonden ook artikelen over in het Bibliotheekblad en op bibliotheeksites, dus je bent neem ik aan op de hoogte van het idee erachter. Dat idee is veel breder dan alleen het ruilen van boeken, zoals ook het idee achter de 'echte' bibliotheek breder is dan alleen het uitlenen van boeken. Bij de Leeszaal gaat het ook om de ontmoetingsfunctie, de bijdrage aan de saamhorigheid van een zeer diverse wijk, het is een plaats waar ZZP-ers uit de buurt elkaar kunnen ontmoeten, waar films te zien zullen zijn, waar auteurs komen voorlezen, waar vergaderd kan worden, waar kleine congressen kunnen worden gehouden. Het is allemaal nog in opbouw en of het lukt weet niemand, maar veel mensen geloven erin en doen er hun best voor. Misschien is het nog eens iets voor een volgend blogstukje, maar nu wil ik het, naar aanleiding van wat jij schreef, alleen hebben over de 'collectie'. Ik zet het maar even tussen aanhalingstekens, want van jou mag het vast geen collectie heten, omdat er geen gedachte achter zit. En ja, het is een zootje ongeregeld. Er zit geen lijn in, geen systeem, er is geen plan voor gemaakt. Het zijn simpelweg boeken die iemand niet meer wil hebben. Met een paar tegelijk naar de Leeszaal gebracht, soms een plastic tasje vol, soms per doos, soms een groot deel van het boekenbezit van iemand die overleden is. Er zitten stokoude boeken bij maar ook veel recente, zo te zien maar een keer of zelfs helemaal niet (want nog in de krimpfolie) gelezen. Iemand zal gedacht hebben: ik zal het zelf niet meer lezen, weggooien is zonde maar in m'n kast hoef ik het ook niet, dus dit is een mooie manier om er vanaf te komen en zo heeft een ander er misschien nog wat aan.

Het is precies hetzelfde als de little free libraries, maar dan op grotere schaal. En wat die vakantiebieb van de ANWB doet, dat is natuurlijk ook hetzelfde. En er zit wel degelijk een gedachte achter en wel deze: wat de een niet meer hoeft, daar kan een ander nog plezier van hebben. Niet alles hoeft diep overdacht te zijn, niet over alles hoeft vergaderd te worden. Sommige ideeën komen spontaan op. En van mij mag je elke verzameling boeken een bibliotheek noemen. Je hebt 'de' bibliotheek en je hebt allerlei andere bibliotheken en bibliotheekjes. De ANWB noemt hun ruilkast trouwens 'Vakantiebieb' en 'bieb' is een woord dat een 'echte' zichzelf respecterende bibliothecaris nooit gebruikt, is mij ooit verteld. Dus dat moet zéker mogen. Bij de Leeszaal gebruiken ze het woord bibliotheek ook niet, heel goed beseffend dat ze dat niet zijn.

En weet je wat raar is? Naarmate zo'n ongestructureerde collectie groter wordt, komt er vanzelf meer lijn in. Steeds meer auteurs raken vertegenwoordigd, je kunt de 'spannende boeken' er tussenuit vissen en dan heb je zomaar een spanningskast. Iemand schenkt een paar dozen Franse boeken en dan heb je ineens een afdeling Franse literatuur. En weet je wat leuk is? Mensen nemen iets mee en geven er iets anders voor terug en zo is de 'collectie' steeds in beweging zonder dat je er geld voor hoeft uit te geven.

Tot slot even over die gedachte die achter de collectie zit bij de 'echte' bibliotheek. Ik neem onmiddellijk aan dat die er is, maar ik weet óók dat boeken die tien jaar oud zijn meestal gedachteloos op grond van hun leeftijd uit de collectie gehaald worden. Zo kun je dus meemaken dat je van een schrijver die al vele jaren schrijft en die je nu eens wilt leren kennen, zoals ik dat onlangs had met Paul Auster, zijn oudere werk maar met moeite kunt bemachtigen omdat Bibliotheek Rotterdam op de bovenste planken de boeken frontaal wil plaatsen en er daarom maar weer eens een rondje afschrijven tegenaan heeft gegooid. En, met alle respect en liefde die ik mijn hele lezende leven al voor de bibliotheek voel, ik vind dat je dan toch een beetje bescheiden moet zijn over die 'gedachte' achter je collectie.

Met hartelijke groet, schrvrdzs


Op de foto een kleine selectie uit de 'collectie' spannende boeken van Leeszaal Rotterdam-West, gevonden op hun facebook-pagina.

zondag 3 februari 2013

Rotterdam 2013-2


















Op 31 januari werd Leeszaal Rotterdam-West, waar ik eerder al iets over schreef officieel geopend. Omdat het Gedichtendag was, werden er gedichten voorgelezen. Dichters uit de buurt en andere wijkbewoners lazen uit eigen of andermans werk. 'Andermans werk' liep uiteen van Guido Gezelle tot Riekus Waskowsky, 'eigen werk' was onder andere een lang gedicht van Eddy Elsdijk en een door twee zusjes van elf geschreven gedicht over lezen. De tweelingzusjes lazen het samen voor, om de beurt een zin en ook een paar zinnen samen, en ik herinner me dit stukje:

Soms is het boek spannend
Soms is het saai
Dan pak ik een ander
En ben ik weer blij.

Het leuke hieraan was dat saai en blij op elkaar rijmden. En dit is géén kritiek, integendeel.

Foto hier gevonden.

vrijdag 18 januari 2013

Wat ik las 74

Man in het duister van Paul Auster is een roman maar bevat ook een verhaal en een essay en misschien is het ook nog te beschouwen als een brief. Dit is typisch Auster, voor zover ik hem inmiddels ken. Een caleidoscopisch boek, met zijpaden en verschillende lagen, een boek waarvan je niet goed weet wat nou eigenlijk de kern is. Of misschien zijn er meer kernen. Of misschien is het een soort ui die je kunt blijven afpellen om uiteindelijk niets over te houden, wat niet geeft omdat de schillen interessant waren.

Hoofdpersoon van het boek is August Brill. Of is hij alleen de verteller? Daar heb je het al. Misschien moet je degene die in het boek nauwelijks voorkomt maar die wel de reden of de oorzaak of de achtergrond, of hoe ik het moet noemen, van het boek is, wel de hoofdpersoon noemen. Misschien is er geen hoofdpersoon. (Heeft een boek altijd een hoofdpersoon? Daar heb ik nog nooit over nagedacht eerlijk gezegd.)

Het is nacht en August Brill ligt wakker. Hij is 72, was vroeger literatuurcriticus en woont bij zijn dochter. Zijn vrouw is nog niet zo lang geleden gestorven en daarna heeft Brill een auto-ongeluk gehad waardoor hij nu met een kruk moet lopen. Zijn dochter Miriam heeft hem toen hij uit het ziekenhuis kwam gevraagd bij haar te komen wonen. Zelf is ze ook alleen, na een scheiding. Ook Brills kleindochter en dochter van Miriam, Katya, woont in dat huis sinds de dood van haar vriend. Miriam is ergens in de veertig, Katya begin twintig (precies weet ik het niet meer). Het is dus een huis vol verdriet en door dat verdriet kan August ook deze nacht niet slapen. Hij probeert zijn gedachten af te leiden door een verhaal te bedenken. Dat verhaal sleept je als lezer zo mee dat je vergeet dat je eigenlijk over Brill aan het lezen bent. Ineens kom je dan weer bij hem terecht en denkt: o ja.

Het verhaal dat Brill zichzelf vertelt heeft een eigen hoofdpersoon: Owen Brick, een goochelaar uit New York, die op een ochtend wakker wordt in een kuil in een hem onbekend gebied. Hij blijkt te zijn terechtgekomen in een 'parallelle' wereld, het is wel Amerika en (zo hoort hij later) Bush is de president, maar van een oorlog in Irak is niets bekend. Er is een burgeroorlog aan de gang en een deel van de Amerikaanse staten heeft zich afgescheiden. Er zijn miljoenen doden gevallen. Brick blijkt uitgekozen te zijn om aan deze toestand een einde te maken. Hem wordt verteld dat alles de schuld is van de man die het allemaal in zijn hoofd heeft zitten. Als die man wordt vermoord zal de oorlog voorbij zijn. Brick zal dat moeten doen. Hij verzet zich ertegen, maar lijkt uiteindelijk toch toe te geven omdat hij en zijn vrouw, als hij weer terug is in zijn oude leven, met de dood bedreigd worden. Maar voor hij de man die hij moet vermoorden, en die August Brill heet, bereikt heeft komt hij om bij een ontploffing. Hij is dan in het huis van een vrouw die een onbereikbare jeugdliefde van hem was en die in beide werelden aanwezig blijkt te zijn. Dit klinkt misschien allemaal wat vreemd en dat is het ook wel, maar als verhaal vond ik het voldoende overtuigend.

Soms raakt Brill door lichamelijke ongemakken uit zijn verhaal en denkt hij aan andere dingen. Bijvoorbeeld aan de films die hij met Katya bekeken heeft. Katya zat op de filmacademie maar is daar mee gestopt na de dood van haar vriend. Samen met haar opa bekijkt ze elke dag een aantal films, om de beelden in hun hoofd niet te hoeven zien. Over die films heeft Katya een theorie die ze haar opa verteld heeft (dit is wat ik een essay zou willen noemen) en waar hij nu aan terugdenkt. Het gaat over het belang van voorwerpen in films en Brill bedenkt zelf een nieuw voorbeeld daarvan, dat hij aan Katya wil vertellen.  Het gaat over een horloge in een Japanse film. In die film komen twee uitspraken voor, die misschien als de kern van het boek te beschouwen zijn. Als het een kern heeft.

Er volgt een lange stilte, dan kijkt het meisje haar schoonzus aan en zegt: 'Het leven is één grote teleurstelling, hè?' Noriko kijkt het meisje aan, en met een afwezige blik in haar ogen antwoordt ze: 'Ja, dat is het.'

Later op die dag geeft de schoonvader van Noriko haar het horloge van haar overleden schoonmoeder. Het meisje is de weduwe van zijn zoon en hij vindt dat ze moet hertrouwen.

'Ik wil dat je gelukkig wordt,' zegt de oude man.
Een kort zinnetje en Noriko stort in, verpletterd door het gewicht van haar eigen leven. 'Ik wil dat je gelukkig wordt.'

Later in het boek denkt Brill weer aan dat 'Het leven is één grote teleurstelling' en 'Ik wil dat je gelukkig wordt.' Ik weet niet meer of hij het denkt in verband met Miriam of met Katya, maar dat doet er ook niet toe, hij wil het ongetwijfeld voor allebei.

De vraag is dan: kan dat? Dat het leven enerzijds een grote teleurstelling is maar dat je desondanks gelukkig wordt? Het boek beantwoordt die vraag niet. Je zou kunnen denken dat Auster wil zeggen: nee, het kan niet. Want wat je nog meer te lezen krijgt is zó verschrikkelijk dat het alle hoop op geluk de bodem lijkt in te slaan. Ik vertel niet wat het is omdat wie het boek nog gaat lezen niet al aan het begin moet weten wat je pas aan het einde te horen krijgt. Als lezer word je er hevig door geschokt en je begrijpt dat het voor de betrokkenen in het boek noodzakelijk is om hun gedachten zoveel mogelijk op iets anders te richten, bijvoorbeeld op verhalen en films, om door te kunnen leven.

In de nacht dat alles zich afspeelt vindt ook een gesprek plaats tussen Brill en Katya. Katya kan evenmin slapen en hoort lawaai in de kamer van haar opa, die iets laat vallen, en komt naar hem toe. Ze komt naast hem in bed liggen en hij vertelt haar over zijn huwelijk met Sonia, van wie hij gescheiden was maar met wie hij later weer is gaan samenwonen en van wie hij veel hield, en die nu dood is. Uiteindelijk valt Katya in slaap. Als het ochtend is komt Miriam de kamer binnen. August stelt voor om ergens te gaan ontbijten, met roerei met spek, wentelteefjes en en pannenkoeken.

Dat plan voor een ontbijt leek me een vorm van hoop. Dat het misschien tóch kan, in deze wereld gelukkig worden. Een bescheiden hoop, want hoe gelukkig word je van pannenkoeken, maar toch een klein stukje hoop.

Dan is er ook nog het boek dat Miriam aan het schrijven is. Dat is gewijd aan een dichteres die Brill niet goed vind op een fantastische regel na ('beter dan alles wat ik ooit heb gelezen').

'Welke?' vraagt ze, en ze draait zich om en kijkt me aan.
'"Terwijl de dwaze wereld doordraait."'
Miriam grijnst opnieuw breed. 'Ik wist het,' zegt ze. 'Toen ik dat citaat opschreef, zei ik tegen mezelf: "Dat vindt hij mooi. Het had voor hem geschreven kunnen zijn."'
'De dwaze wereld draait door, Miriam.'
Met mijn kruk in mijn hand loopt ze terug naar het bed en komt naast me zitten. 'Ja pap,' Zegt ze, terwijl ze een bezorgde blik op haar dochter werpt, 'de dwaze wereld draait door.'

Zo eindigt het boek. En daarmee mijn verslag. Op een ding na. Ik dacht dat je het boek misschien ook als brief kunt beschouwen. Een brief aan de familie Grossman, aan wie het is opgedragen, ter herinnering aan hun gesneuvelde zoon Uri. Eerder, toen ik het boek voor de eerste keer gelezen had, vroeg ik me af hoe Auster juist dit boek waar zoveel ellende in voorkomt als troostboek kon bedoelen. Ik heb het nu twee keer gelezen en begin er misschien iets van te vermoeden. Ik hoop dat dat uit het bovenstaande een beetje gebleken is.

Ik vond het het meest indrukwekkende boek dat ik tot nu toe van Auster las.

donderdag 10 januari 2013

Broeders en Zusters

















 

Een tijdje geleden zaten we hier thuis aan de koffie en kregen de slappe lach. Niet zo erg als vroeger op de hbs, maar toch iets wat er op leek. Dat kwam door een non. Ik verzamel plaatjes van voorlezers, voor mijn (sorry, even reclame) nieuwe blogje met voorleeskunst. Een huisgenoot was op de laptop voor me aan het meezoeken en zei: ik heb er hier een met een non. Waarop een andere huisgenoot zei: Non de Ju? En ik: Non Descript? En toen ging het verder over Zuster Lijk en  Zuster Pop (het woord 'zusterpop' komt voor in Nijntje) en Broeder Moord en Broeder Volk. Hoe flauwer het werd hoe harder we moesten lachen. En ik dacht: doen andere mensen zoiets ook wel eens? Zal vast wel, maar je vraagt het ze niet zo snel. Vandaag kreeg ik toch antwoord, in Sunset Park van Paul Auster. Het gaat in dit stukje over een vader die eraan terugdenkt  hoe hij vaak op zaterdagochtend met zijn zoontje ging ontbijten in een restaurantje en daar bijvoorbeeld met hem over honkbal praatte.

en hij genoot van de teams die ze samenstelden met de namen van echte spelers, zoals het lichaamsdelenteam: Bill Hands, Barry Foote, Rollie Fingers, Elroy Face, Ed Head (...), of het financiële team, bestaande uit Dave Cash, Don Money, Bobby Bonds (...). Ja, Miles was als kind dol op dat soort onzin, en als hij begon te lachen, dan was het brullend en niet te stoppen (...).

Ik geef toe dat het niveau hoger is, maar het principe vind ik toch hetzelfde.

Plaatje hier gevonden.

zondag 6 januari 2013

Wat ik las 73

'Iedereen heeft zijn geschiedenis,' zei hij, 'maar het is zelden een belangrijke.' De 'hij' die dit zegt is Frits van Egters, hoofdpersoon in De Avonden van Gerard Reve. Op 22 december begon ik er weer in te lezen, met de bedoeling het op de 31e uit te hebben. Het duurde een paar dagen langer, maar ik heb het weer met genoegen gelezen, nu voor de vijfde keer denk ik. En ik ben het elke keer ietsje beter gaan vinden. Vorig jaar, toen ik vertelde dat ik De Avonden aan het herlezen was, vroeg iemand me of ik het geen overschat boek vond. Ik heb daar toen geen antwoord op gegeven, want ik begon te twijfelen. Of de vraagsteller dit leest weet ik niet, maar hier komt alsnog mijn antwoord: nee, ik vind het geen overschat boek. Ik weet natuurlijk niet of er ergens al te overdreven lof over het boek is geuit, maar als iemand zou zeggen: dit is een heel goed boek dat het verdient  elk jaar herlezen te worden, dan zou ik het daar mee eens zijn. Als ik mij goed herinner zei de vraagsteller er nog bij dat hij het boek wél humoristisch vond. En dat vind ik zelf ook wel, maar hoe vaker ik het lees hoe minder de humor me opvalt. Want het is toch vooral een treurig boek en dát valt me elke keer dat ik het lees juist een beetje meer op.

Het boek navertellen lijkt me niet nodig, wie het niet kent moet het maar lezen of heeft misschien ooit besloten dat niet te doen. Wat me er deze keer vooral in trof is hoe Frits en zijn ouders met elkaar omgaan. Tot elkaar veroordeeld en zich aan elkaar ergerend, maar tegelijk ook met een soort liefde tegen wil en dank. Dat stijgt voor mijn gevoel ver uit boven de gezinssituatie, al is het als sfeerbeeld van een gezin ook zeker geslaagd te noemen. Maar voor mijn gevoel gaat het boek over 'de mens' in het algemeen. De mens die zijn medemens ziet maar niet begrijpt en weet dat hij zelf ook niet begrepen wordt. Die zich ergert aan de ander maar ook aan zichzelf. Die beseft dat die ander ook maar een mens is, net als hijzelf. Die inziet dat het leven zinloos is maar toch probeert er betekenis aan te geven. Die vrienden heeft maar eenzaam blijft. Die elke dag maar weer moet zien door te komen.

De mens met zijn zelden belangrijke geschiedenis, dáár gaat De Avonden over. En dus over onszelf. Althans, zo lees ik het. Het gaat óók over de mogelijkheid tot mededogen met de ander. En natuurlijk bewijst het boek tegelijkertijd dat je van een onbelangrijke geschiedenis belangrijke kunst kunt maken, waarmee het naast alle treurigheid ook troost biedt. Ik hoop het in december weer te lezen.

En nu wordt het tijd om  mijn 'Auster-project' weer op te pakken.

donderdag 3 januari 2013

Rotterdam 2013



















Wat betreft Rotterdamse humor is de Marokkaanse slager/groenteboer geheel ingeburgerd. Gisteren kocht ik tomaten, dadels en een courgette bij hem en zei erbij: 'Ik hoef geen tasje.' 'Zeven euro negentig,' zei de groenteboer.' 'Zonder tasje wordt acht euro.'

Foto hier gevonden.

dinsdag 1 januari 2013

Blogfiliaal






















Een goed 2013 voor jullie allemaal! 

Een nieuw jaar, een nieuw plannetje. 2013 is het Jaar van het Voorlezen en omdat ik voorlezen leuk en belangrijk vind en bovendien af en toe het internet afspeur naar plaatjes van lezers, heb ik bedacht om een weblogje te beginnen met vereeuwigde voorlezers. Een jaar lang elke dag een nieuwe voorlezer plaatsen zal denk ik niet haalbaar zijn, maar misschien ook wel, want het aantal geschilderde lezers lijkt haast oneindig. Maar ik moet ze natuurlijk ook nog weten te vinden.

Een beetje reclame zou ik wel leuk vinden, omdat voorlezen veel aandacht verdient. Dus schroom niet.

Schilderij: Martin Baillie, Reading from 'Winnie the Pooh'

donderdag 27 december 2012

Wat ik las 72

Ook na twee keer lezen weet ik nog niet precies wat ik van Dit zijn de namen van Tommy Wieringa vind. Ik ging het lezen in de verwachting  dat ik het goed zou vinden, omdat tot nu toe alles van Wieringa me beviel. Maar toen ik het boek uit had was ik een beetje teleurgesteld. Ik las vervolgens de recensie van Jeroen Vullings uit Vrij Nederland en was het daar wel mee eens. Mooi geschreven maar de personages blijven op afstand, vindt hij en zo had ik het ook ervaren. Als dit het eerste was dat ik van Wieringa las zou ik het er misschien bij hebben gelaten, maar omdat ik inmiddels van zijn werk hou en ook soms nog met genoegen terugdenk aan een optreden van hem waar ik bij was, besloot ik het boek nogmaals te lezen.Vaak levert herlezen nieuw inzicht op en dat was ook nu het geval. Na die tweede keer las ik de bespreking van Arjen Fortuin uit de NRC. Die was een stuk positiever (vier sterren in plaats van twee) dan die van Vullings. En ik was het nu toch meer met Fortuin eens dan met Vullings, al blijf ik vinden dat de personages niet echt voor me zijn gaan leven. Maar nu denk ik: misschien is dat juist wel wat Wieringa beoogt: je laten beseffen hoe vreemd de medemens je meestal blijft, zelfs al weet je het een en ander van hem of haar.

De persoon in het boek over wie de lezer het meest te weten komt is commissaris van politie Pontus Beg uit Michailopol, een stad aan de rand van de steppe, ergens in de voormalige Sovjet-Unie. Vroeger was het een grote bloeiende stad, nu is hij in verval geraakt. Er gingen ooit vijftien treinen per uur, nu gebruikt de begrafenisondernemer het stationsgebouw als opslagplaats voor zijn doodskisten. Beg is drieënvijftig en verwacht niet veel meer van het leven. Hij houdt vast aan gewoontes: vier glazen drank per avond, niet minder maar ook niet meer, een keer per maand naar bed met zijn huishoudster, slechts op bescheiden schaal deelnemen aan de corruptie. Een enkele keer wordt hij overvallen door heimwee naar vroeger, soms krijgt hij een driftaanval of probeert hij zijn huishoudster over te halen tot nóg een nacht, waar zij nooit op ingaat. Toen hij jong was is hij kortstondig gelukkig geweest en hij denkt dat geluk iets te maken heeft met verwachting en verlangen.

Als er een rabbijn sterft vindt Beg dat die een joodse begrafenis moet krijgen, maar hij weet niet hoe dat moet en er zijn voor zover hij weet geen andere Joden meer in Michailopol. Maar hij vergist zich: er blijkt nóg een rabbijn te zijn, de allerlaatste Jood in de stad, die de overleden rabbijn een slecht mens noemt maar hem wel wil begraven volgens de traditie. Beg herinnert zich een jiddisch liedje dat zijn moeder vroeger voor hem zong en vraagt de rabbijn ernaar. Het blijkt een liefdesliedje te zijn. Het komt ook weer bij hem boven  dat zijn moeder een menora had en hij ontdekt dat zij een achternaam heeft die Joods zou kunnen zijn. Hij begint te vermoeden dat hij zelf dus misschien ook Joods is en gaat boeken over het jodendom lezen. Het geeft hem vaag het gevoel ergens bij te horen. Hij gaat regelmatig bij de rabbijn theedrinken en praten.

Intussen wordt ook een ander verhaal verteld, in hoofdstukken die tussen die over Beg staan. Dertien mensen willen illegaal de grens oversteken en betalen daarvoor een mensensmokkelaar. Ze worden tussen de pallets in een vrachtauto geladen, passeren (zo denken ze) de grens, mogen er weer uit en krijgen de aanwijzing drie uur naar het westen te lopen, dan zullen ze een stad bereiken. Maar na drie uur is er geen stad te zien, enkelen gaan terug, de anderen trekken verder door de steppe. Daar valt nauwelijks voedsel te vinden, er gaan steeds meer mensen dood en na maanden bereiken de laatste vijf Michailopol, waar ze zich op de vuilnisbakken storten. Ze nemen hun intrek in het stationsgebouw en gebruiken de doodskisten om vuur van te stoken en in te slapen. De bevolking is bang voor de spookachtige zwervers en beklaagt zich. Beg laat hen arresteren. Als blijkt dat ze het hoofd van een man bij zich hadden gaat hij hen een voor een verhoren over de toedracht. Ze laten aanvankelijk geen van allen iets los, maar Beg komt er langzaamaan achter dat ze geloofden dat de door hen doodgeslagen Ethiopiër, van wie ze aanvankelijk dachten dat hij de groep ongeluk bracht, na zijn dood hun gids was geworden en hen uiteindelijk had teruggevoerd naar de bewoonde wereld.

Beg ziet een zekere overeenkomst met de uittocht uit Egypte, toen de joden veertig jaar door de woestijn zwierven voor ze het land Kanaän konden binnentrekken en al die tijd het gebeente van Jozef meevoerden om het daar te kunnen begraven. Hij praat erover met de rabbijn en veronderstelt dat wat de groep zwervers is overkomen in een andere tijd en onder andere omstandigheden misschien het begin van een religie had kunnen worden. De rabbijn reageert hierop door te zeggen dat er bínnen de Thora genoeg ruimte is voor twijfel en discussie. 'Onderzoekt u het geloof, niet het ongeloof'.' Het antwoord op twijfel is lernen en dát is wat Beg moet doen.

Aan het eind van het verhaal blijkt de jongen uit de groep bij Beg te wonen. Beg suggereert hem dat hij misschien ooit Jood kan worden en naar Israël emigreren. En later kan terugkomen om Beg te begraven.

De vluchtelingen bleven me ook bij de tweede keer lezen vreemd. Ook de leden van de groep kenden elkaar niet, het was ieder voor zich. Ze moesten bij elkaar blijven om te overleven en wie niet verder kon werd achtergelaten. Op het laatst ontstond er enige gemeenschappelijkheid rond de verering van het hoofd.

Beg heb ik voor m'n gevoel toch wat beter leren kennen. Een man die in het leven teleurgesteld is en soms aan vroeger denkt, toen hij nog verwachtingen had. Iemand die probeert zich staande te houden met de hulp van een paar gewoontes en regels en die wat hoop put uit religie. Een mens dus zoals vele of misschien alle mensen, al is niet iedereen veroordeeld tot het troosteloze leven van Beg. Maar dat het ook veel erger had kunnen zijn blijkt uit wat de vluchtelingen meemaken.

Ooit is Beg verliefd geweest.

   Ach, de verliefde die meent dat deze bekoring zijn eigenlijke, zijn natuurlijke staat is; wat een onrecht dat ze hem meestentijds onthouden wordt! Hoe heb je zonder kunnen leven? Nu zijn de schellen hem dan van de ogen gevallen. Nu hij weet hoe het eigenlijk is, zal hij niet meer loslaten, dit zal voortaan zijn leven zijn. In deze gloed, in deze bedwelming zal hij verdergaan.

Zijn geluk duurt enkele seizoenen.

Ik vond het, al met al, een boek met teveel lijnen waarvan ik het samenbrengen wat te 'gezocht' vond. Maar het is ook een boek dat ik niet meteen weer zal vergeten en dat het twee keer lezen waard was. En Wieringa schrijft heel mooi Nederlands. Als ik sterren moest geven, gaf ik er drieëneenhalf.

maandag 24 december 2012

Rotterdam 2012-9
















Bij Albert Heijn waren de sperziebonen op. Gelukkig maar, anders had ik het volgende gemist.

Bij de Marokkaanse slager/groenteboer werkt een Chinees.
Die zei toen ik mijn bonen betaald had tegen me: Prettige Kerst!
Ik: Dank u!
Chinees: Prettige kerst, hallelujah!
Ik (trut die ik ben): Hallelujah hoort bij Pasen.
Nederlandse mevrouw naast me: Maar het klinkt wel mooi!
Ik: Het klinkt prachtig.
Mevrouw: Hallelujah! Allah Akbar!
Allen, inclusief de Marokkaanse slager/groenteboer: hartelijk gelach.

Foto hier gevonden.

zondag 23 december 2012

Een boek van deze tijd























Het was nog donker, toen in de vroege morgen van de tweeëntwintigste december 1946 in onze stad, op de eerste verdieping van het huis Schilderskade 66, de held van deze geschiedenis, Frits van Egters, ontwaakte. 

Voor wie dit niet herkend heeft: zo begint De Avonden van Gerard Reve.

Twee jaar geleden ontdekte ik via twitter dat er mensen zijn die elk jaar op de tweeëntwintigste december het eerste hoofdstuk van De Avonden herlezen en daarna tot het eind van het jaar elke dag een volgend hoofdstuk. Dan is het boek, waarin de tien laatste dagen van december beschreven worden, uit. Ik dacht toen: dat ga ik ook doen. En het beviel me, vorig jaar deed ik het nogmaals en gisteren ben ik ook weer begonnen. Ik denk dat het nu de vijfde keer is dat ik het boek lees en het blijft verrassend. De grote lijnen komen me inmiddels wel bekend voor, maar veel details ben ik vergeten en die zijn dus weer nieuw voor me.

De eerste keer dat ik De Avonden las was pas lang nadat ik Reve had leren kennen. Het eerste wat ik van hem las was Op weg naar het einde, ik was toen zeventien en het maakte grote indruk op me, ik weet nog waar ik het las. De Avonden las ik pas veel later, toen ik een jaar of veertig was. Of nog ouder. Ik was er op de een of andere manier altijd een beetje bang voor, het leek me moeilijk of misschien saai, ik weet niet precies meer wat me tegenhield.

Maar De Avonden is moeilijk noch saai, droevig is het wel. Elke keer dat ik het lees vind ik het weer ietsje droeviger geloof ik. Ik vermoed dat ik er de eerste keer nog wel om heb moeten lachen en ik zal nu vast ook af en toe wel eens glimlachen, maar de kracht van het boek zit hem voor mij toch meer en meer in de manier waarop Reve beschrijft hoe treurig het leven van zijn hoofdpersonen is. En hoezeer die hoofdpersonen model staan voor alle mensen. Maar daarover misschien nog eens iets als ik het boek weer uit heb.

Maar wat ik wél erg leuk en vrolijk stemmend vind is die gewoonte om massaal De Avonden te herlezen. Hoeveel mensen het doen zou ik graag willen weten. Zouden er meer boeken zijn waarmee dit gebeurt? Dat zou ik ook wel willen weten. En zou zoiets te stimuleren zijn of krijg je dan de toestanden van Nederland Leest, een actie die voor m'n gevoel vooral veel geld kost en maar weinig leesplezier oplevert?

In elk geval is dit stukje een beetje bedoeld ter stimulering van het meedoen aan het herlezen, of wellicht voor de eerste keer lezen, van De Avonden. Dat hoofdstuk van gisteren kun je nog makkelijk inhalen. En je hebt tenminste een goeie reden om somber te zijn in deze donkere dagen. Of misschien helpt het er zelfs wel tegen.

Naschrift. Festina van het blog Festina Lente wees me erop dat via VPRO-boeken elke dag een hoofdstuk van De Avonden is te beluisteren, voorgelezen door Gerard Reve zelf. Zie hier. Zeer bedankt voor deze tip, Festina!
 
Foto hier gevonden.