WELKOM OP MIJN WEBLOG

Dit blog is in de loop der jaren veranderd. Ooit ging het vooral over de bibliotheek, nu gaat het meer over lezen en taal. (Wie denkt: de bibliotheek gaat toch óók over lezen en taal, ziet dat anders dan ik.) Ooit werd het elke dag bijgehouden, nu minder regelmatig. Wat hetzelfde gebleven is: opmerkingen zijn van harte welkom.

donderdag 1 november 2012

Wat ik las 66

Ik heb wel eens een tijdje rondgelopen met het idee dat ik een boek per dag zou willen lezen. Dat kwam omdat Maarten 't Hart beweerde dat te doen. Mij is het nooit gelukt, of in elk geval maar hoogst zelden. (En aan de bewering van Maarten 't Hart twijfel ik ook.) Als ik het klaarspeel een boek per week te lezen ben ik inmiddels al dik tevreden. Maar vandaag lukte het in een kwartier. Ik (her)las Hopelijk gaat het straks bij God beter, een bundeltje van vier brieven (drie uit 1957 en een uit 1958) die J.J. Voskuil schreef aan Henk Romijn Meijer en diens vrouw Elizabeth, toen die enige tijd in Australië woonden. Een elegant vormgegeven boekje waar er maar honderd van gedrukt zijn en dat ik in weerwil van mijn zuinige aard heb gekocht voor best veel geld, maar dat ik niet kon weerstaan toen ik ervan hoorde.

Dát ik het niet kon weerstaan is omdat ik veel hou van het werk van Voskuil, in het bijzonder van Het Bureau. En ook wel omdat er maar zo weinig exemplaren van dit boekje gedrukt zijn, dat maakte me ineens hebzuchtig moet ik zeggen. (Toen ik daarnet, op zoek naar een plaatje van de omslag, op de site van de uitgever zag dat het boekje inmiddels is uitverkocht, deed dat me dan ook wel een beetje plezier.)

Ik hou van Voskuil en ik hou ook van brievenboeken. Van Reve bijvoorbeeld vind ik zijn brieven mooier dan de meeste van zijn romans. Nu zijn de brieven van Reve denk ik altijd wel enigszins of misschien zelfs helemaal met het oog op latere publicatie geschreven en dat was bij Voskuil niet het geval. Van de brieven die hij aan Romijn Meijer schreef zijn slechts deze vier bewaard gebleven (plus twee van zijn vrouw Lousje, maar die staan niet in het boekje). Ook al zijn het er maar vier, ze geven toch een aardige indruk van zijn manier van brieven schrijven.

Wat mij verraste is dat Voskuil in zijn brieven probeert 'leuk' te zijn. In zijn romans vind ik dat nergens terug en daar ben ik blij om. Ik hou niet zo van schrijvers die leuk proberen te zijn, ik moet dan altijd denken aan de Adrian Mole-serie van Sue Townsend en aan Red ons, Maria Montanelli van Herman Koch. Ik kan daar op de een of andere manier niet zo goed tegen. Ik heb niks tegen ironie, integendeel, maar hoe implicieter het is hoe meer ik het waardeer. Geloof ik.

Voskuil schrijft heel goed en vertelt beeldend over wat hij meemaakt, bijvoorbeeld hoe hij en zijn vrouw in de Jordaan, waar ze wonen, worden nageroepen, maar hij voegt er ironische terzijdes aan toe die ik een beetje irritant vind. Uit zijn brieven spreekt, vind ik, ook nauwelijks belangstelling voor degene aan wie hij schrijft. Waarschijnlijk heeft hij dat aan Lousje overgelaten, die daar zoals Voskuil-lezers weten veel beter in is.

Wat jammer is, is dat je maar een kant van de correspondentie ziet. Want misschien is die toon er een die speciaal tussen Romijn Meijer en Voskuil gebruikt werd. Ik schrijf zelf ook wel eens brieven en ik merk dat hoe ik ze schrijf beïnvloed wordt door degene aan wíe ik ze schrijf. In een wat langduriger correspondentie ontstaat altijd een eigen toon, althans zo ervaar ik het. Ik krijg uit de manier waarop deze vier brieven geschreven zijn de indruk dat Voskuil en Romijn Meijer elkaar weliswaar aardig vonden – want waarom zou je anders gaan corresponderen – maar dat Voskuil toch enige afstand houdt en zich niet echt met Meijer verwant voelt. Maar daar kan ik me natuurlijk hevig in vergissen.

De toon van deze brieven heeft Voskuil blijkbaar niet geschikt geacht voor zijn romans.  En daar ben ik blij om. Wat niet wegneemt dat ik het leuk vond het boekje te lezen.

Voor wie meer wil weten: de Voskuilliefhebber én -kenner en tevens schrijver van Foxxblok, blogde ook over het boekje en vermeldt daarbij interessante feiten.

De titel komt uit deze regel:
Ik begin eindelijk te geloven dat ik op deze aarde niets werkelijk plezierig zal vinden, hopelijk gaat het straks bij God beter.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen