WELKOM OP MIJN WEBLOG

Dit blog is in de loop der jaren veranderd. Ooit ging het vooral over de bibliotheek, nu gaat het meer over lezen en taal. (Wie denkt: de bibliotheek gaat toch óók over lezen en taal, ziet dat anders dan ik.) Ooit werd het elke dag bijgehouden, nu minder regelmatig. Wat hetzelfde gebleven is: opmerkingen zijn van harte welkom.

Posts tonen met het label Tommy Wieringa. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Tommy Wieringa. Alle posts tonen

donderdag 27 december 2012

Wat ik las 72

Ook na twee keer lezen weet ik nog niet precies wat ik van Dit zijn de namen van Tommy Wieringa vind. Ik ging het lezen in de verwachting  dat ik het goed zou vinden, omdat tot nu toe alles van Wieringa me beviel. Maar toen ik het boek uit had was ik een beetje teleurgesteld. Ik las vervolgens de recensie van Jeroen Vullings uit Vrij Nederland en was het daar wel mee eens. Mooi geschreven maar de personages blijven op afstand, vindt hij en zo had ik het ook ervaren. Als dit het eerste was dat ik van Wieringa las zou ik het er misschien bij hebben gelaten, maar omdat ik inmiddels van zijn werk hou en ook soms nog met genoegen terugdenk aan een optreden van hem waar ik bij was, besloot ik het boek nogmaals te lezen.Vaak levert herlezen nieuw inzicht op en dat was ook nu het geval. Na die tweede keer las ik de bespreking van Arjen Fortuin uit de NRC. Die was een stuk positiever (vier sterren in plaats van twee) dan die van Vullings. En ik was het nu toch meer met Fortuin eens dan met Vullings, al blijf ik vinden dat de personages niet echt voor me zijn gaan leven. Maar nu denk ik: misschien is dat juist wel wat Wieringa beoogt: je laten beseffen hoe vreemd de medemens je meestal blijft, zelfs al weet je het een en ander van hem of haar.

De persoon in het boek over wie de lezer het meest te weten komt is commissaris van politie Pontus Beg uit Michailopol, een stad aan de rand van de steppe, ergens in de voormalige Sovjet-Unie. Vroeger was het een grote bloeiende stad, nu is hij in verval geraakt. Er gingen ooit vijftien treinen per uur, nu gebruikt de begrafenisondernemer het stationsgebouw als opslagplaats voor zijn doodskisten. Beg is drieënvijftig en verwacht niet veel meer van het leven. Hij houdt vast aan gewoontes: vier glazen drank per avond, niet minder maar ook niet meer, een keer per maand naar bed met zijn huishoudster, slechts op bescheiden schaal deelnemen aan de corruptie. Een enkele keer wordt hij overvallen door heimwee naar vroeger, soms krijgt hij een driftaanval of probeert hij zijn huishoudster over te halen tot nóg een nacht, waar zij nooit op ingaat. Toen hij jong was is hij kortstondig gelukkig geweest en hij denkt dat geluk iets te maken heeft met verwachting en verlangen.

Als er een rabbijn sterft vindt Beg dat die een joodse begrafenis moet krijgen, maar hij weet niet hoe dat moet en er zijn voor zover hij weet geen andere Joden meer in Michailopol. Maar hij vergist zich: er blijkt nóg een rabbijn te zijn, de allerlaatste Jood in de stad, die de overleden rabbijn een slecht mens noemt maar hem wel wil begraven volgens de traditie. Beg herinnert zich een jiddisch liedje dat zijn moeder vroeger voor hem zong en vraagt de rabbijn ernaar. Het blijkt een liefdesliedje te zijn. Het komt ook weer bij hem boven  dat zijn moeder een menora had en hij ontdekt dat zij een achternaam heeft die Joods zou kunnen zijn. Hij begint te vermoeden dat hij zelf dus misschien ook Joods is en gaat boeken over het jodendom lezen. Het geeft hem vaag het gevoel ergens bij te horen. Hij gaat regelmatig bij de rabbijn theedrinken en praten.

Intussen wordt ook een ander verhaal verteld, in hoofdstukken die tussen die over Beg staan. Dertien mensen willen illegaal de grens oversteken en betalen daarvoor een mensensmokkelaar. Ze worden tussen de pallets in een vrachtauto geladen, passeren (zo denken ze) de grens, mogen er weer uit en krijgen de aanwijzing drie uur naar het westen te lopen, dan zullen ze een stad bereiken. Maar na drie uur is er geen stad te zien, enkelen gaan terug, de anderen trekken verder door de steppe. Daar valt nauwelijks voedsel te vinden, er gaan steeds meer mensen dood en na maanden bereiken de laatste vijf Michailopol, waar ze zich op de vuilnisbakken storten. Ze nemen hun intrek in het stationsgebouw en gebruiken de doodskisten om vuur van te stoken en in te slapen. De bevolking is bang voor de spookachtige zwervers en beklaagt zich. Beg laat hen arresteren. Als blijkt dat ze het hoofd van een man bij zich hadden gaat hij hen een voor een verhoren over de toedracht. Ze laten aanvankelijk geen van allen iets los, maar Beg komt er langzaamaan achter dat ze geloofden dat de door hen doodgeslagen Ethiopiër, van wie ze aanvankelijk dachten dat hij de groep ongeluk bracht, na zijn dood hun gids was geworden en hen uiteindelijk had teruggevoerd naar de bewoonde wereld.

Beg ziet een zekere overeenkomst met de uittocht uit Egypte, toen de joden veertig jaar door de woestijn zwierven voor ze het land Kanaän konden binnentrekken en al die tijd het gebeente van Jozef meevoerden om het daar te kunnen begraven. Hij praat erover met de rabbijn en veronderstelt dat wat de groep zwervers is overkomen in een andere tijd en onder andere omstandigheden misschien het begin van een religie had kunnen worden. De rabbijn reageert hierop door te zeggen dat er bínnen de Thora genoeg ruimte is voor twijfel en discussie. 'Onderzoekt u het geloof, niet het ongeloof'.' Het antwoord op twijfel is lernen en dát is wat Beg moet doen.

Aan het eind van het verhaal blijkt de jongen uit de groep bij Beg te wonen. Beg suggereert hem dat hij misschien ooit Jood kan worden en naar Israël emigreren. En later kan terugkomen om Beg te begraven.

De vluchtelingen bleven me ook bij de tweede keer lezen vreemd. Ook de leden van de groep kenden elkaar niet, het was ieder voor zich. Ze moesten bij elkaar blijven om te overleven en wie niet verder kon werd achtergelaten. Op het laatst ontstond er enige gemeenschappelijkheid rond de verering van het hoofd.

Beg heb ik voor m'n gevoel toch wat beter leren kennen. Een man die in het leven teleurgesteld is en soms aan vroeger denkt, toen hij nog verwachtingen had. Iemand die probeert zich staande te houden met de hulp van een paar gewoontes en regels en die wat hoop put uit religie. Een mens dus zoals vele of misschien alle mensen, al is niet iedereen veroordeeld tot het troosteloze leven van Beg. Maar dat het ook veel erger had kunnen zijn blijkt uit wat de vluchtelingen meemaken.

Ooit is Beg verliefd geweest.

   Ach, de verliefde die meent dat deze bekoring zijn eigenlijke, zijn natuurlijke staat is; wat een onrecht dat ze hem meestentijds onthouden wordt! Hoe heb je zonder kunnen leven? Nu zijn de schellen hem dan van de ogen gevallen. Nu hij weet hoe het eigenlijk is, zal hij niet meer loslaten, dit zal voortaan zijn leven zijn. In deze gloed, in deze bedwelming zal hij verdergaan.

Zijn geluk duurt enkele seizoenen.

Ik vond het, al met al, een boek met teveel lijnen waarvan ik het samenbrengen wat te 'gezocht' vond. Maar het is ook een boek dat ik niet meteen weer zal vergeten en dat het twee keer lezen waard was. En Wieringa schrijft heel mooi Nederlands. Als ik sterren moest geven, gaf ik er drieëneenhalf.

maandag 12 oktober 2009

Weer naar GDMW 4













Op GDMW kwam ook Tommy Wieringa. Vorig jaar was ik nogal van hem onder de indruk, dus ik keek er naar uit. Hij zou deze keer samen optreden met Jaap Scholten, schrijver van o.a. Morgenster, een boek dat ik (jaren geleden) met plezier gelezen heb. Ik had begrepen dat de twee schrijvers elkaar zouden interviewen, maar dat gebeurde niet. (Ze hebben dat wel gedaan in het Passionate Magazine, mede-organisator van het GDMW. Misschien had ik daar iets over gelezen.) Wieringa had enige tijd doorgebracht bij Scholten, die in Hongarije woont. Het plan was om allebei een verhaal te schrijven, maar dat was mislukt, vertelde Wieringa.

Ze lazen elk wat verhalen voor en de 'meerwaarde' van het gezamenlijke optreden ontging me. De belangrijkste band leek dat Scholten een paar schoenen van Wieringa aanhad, waar we op gewezen werden.

Ik kreeg de indruk dat Wieringa het niet erg naar zijn zin had. Toen hij het toneel opkwam zei hij iets over een chaotische dag en aan de mensen die vooraan blijkbaar onderuit lagen op zitzakken o.i.d. (ik zat achterin en kon het niet zien) vroeg hij of ze in slaap gevallen waren. Toen er gelachen werd zei hij: 'Lachen vind ik een tamelijk aapachtig vertrekken van het gelaat en daar stel ik geen prijs op.' Dat verbaasde me, want vorig jaar werd er ook veel gelachen tijdens zijn optreden en toen was hij daar, zoals later uit zijn column in De Pers bleek, juist nogal tevreden over. ('Ik stook het vuur langzaam op, het wordt aangeblazen door applaus en gejoel - dit is wat voorlezen moet zijn, het ontketenen van een opstand.')

Van zijn verhalen van vorig jaar herinner ik me nu nog stukken, van die van dit jaar niets. Van een zaal die in zijn ban was, was deze keer geen sprake. Hij moest wat abrupt stoppen vanwege een volgend programma-onderdeel en ik kreeg de indruk dat hij enigszins verontwaardigd het podium verliet. Ik ben toen ook maar naar huis gegaan, aanzienlijk minder vrolijk dan vorig jaar.

Benieuwd of hij er morgen in De Pers nog op terug komt.

Over Jaap Scholten kan ik niet veel zeggen. Hij las niet bijzonder goed voor en boeide me niet. Dat zegt verder niets over zijn kwaliteiten als schrijver. Misschien zou zo'n festival er gewoon niet moeten zijn. Schrijvers moet je lezen, niet beluisteren. Maar zoals het vorig jaar met Wieringa was, dat was toch wel bijzonder. Ik weet het dus niet.

Foto Tommy Wieringa: Klaas Jan van der Weij, hier gevonden.
Foto Jaap Scholten hier gevonden.

vrijdag 22 mei 2009

Wat ik las 17

Tommy Wieringa heeft me een paar van de aangenaamste herinneringen van de afgelopen jaren bezorgd: eerst door het vertonen van de film Vliegtuig en het vervolgens interviewen van Joost Conijn, later door zijn optreden op het GDMW-festival. Misschien ben ik daarom een beetje bevooroordeeld, maar dit wil ik zeggen:

Meneer Wieringa, trekt u zich alstublieft niets of in elk geval niet al te veel aan van recensenten die het hebben over een niet ingeloste belofte enzo. Ik kan me niet herinneren dat u uw lezers iets beloofd heeft. U schreef met Joe Speedboot een heel mooi boek en met Caesarion schreef u opnieuw een heel mooi boek. Laten ze blij zijn dat een schrijver twee zulke mooie boeken heeft geschreven en ophouden te kijken welk van de twee nou eigenlijk het beste is.

(Dit voor het geval Tommy Wieringa op blogs naar meningen over zijn boek zoekt.)

Ik las dus Caesarion en vond het mooi. Joe Speedboot vond ik ook mooi, maar Caesarion sprak me meer aan. Joe Speedboot vond ik vrolijk en meeslepend, Ceasarion droevig en meeslepend. En ik hou in het algemeen nu eenmaal meer van droevige dan van vrolijke boeken.

'Caesarion' is de koosnaam die de moeder van Ludwig Unger hem gegeven heeft. Ludwig, die een jaar of zes is, en zijn moeder Marthe wonen samen in Alexandrië. Zijn vader heeft hen verlaten en na een tijdje vertrekken zij zelf ook uit hun grote huis. Ze gaan eerst naar Nederland, waar Ludwigs moeder vandaan komt. Ludwig blijft bij een oom en tante op het Groningse platteland logeren en zijn moeder gaat op zoek naar een huis, ergens in Europa. Ze vindt een betaalbaar huis aan de kust in Engeland. Het is betaalbaar omdat de dagen van het huis geteld zijn: het staat op een klif waar elk jaar een stuk afbreekt. De rand is nog 15 meter weg. Bovendien is het houtwerk vermolmd. Toch wonen Ludwig en zijn moeder er nog jaren met plezier. Ludwig wordt lid van de rugbyclub. Op een dag neemt een van zijn teamgenoten hem mee naar huis om hem iets te laten zien. Dat blijkt een video te zijn van een pornofilm waarin Ludwigs moeder de hoofdrol speelt.

Ludwig is aanvankelijk geschokt, maar leert leven met deze wetenschap. Er komt, een week na zijn 15e verjaardag, een kaart van zijn vader, uit Colombia, waar 'Hou van mij' op staat.

Ze moeten hun huis verlaten als de afstand tot de rand nog maar twee meter is en het bij de eerstvolgende storm in zee kan storten. Ze nemen hun intrek bij de man die hun het huis verkocht heeft, die verderop woont. Het huis verdwijnt inderdaad over de rand. Ludwig blijft nog een tijdje bij de oorspronkelijke eigenaar wonen, neemt daarna zijn intrek bij een teamgenoot en vindt tenslotte een tijdelijke eigen kamer. Hij werkt als barpianist in het plaatselijke hotel. Zijn moeder woont in Londen, maar blijkt later vertrokken te zijn naar Los Angeles. Ludwig zoekt haar daar op en merkt dat ze bezig is haar filmcarrière voort te zetten.

Ludwig leest iets over een expositie over het werk van zijn vader, de uit Oostenrijk afkomstige kunstenaar Bodo Schultz, die in het oerwoud van Panama bezig is als kunstproject een berg op te blazen. Ludwig gaat naar de expositie. Voor de deur is een demonstratie van milieu-activisten, die protesteren tegen de aantasting van het oerwoud door Schultz. Ludwig maak kennis met een meisje dat daar demonstreert, ze worden verliefd en zijn gelukkig.

Als zijn moeder teruggaat naar Europa gaat Ludwig met haar mee omdat hij het gevoel heeft haar te moeten beschermen en neemt hij afscheid van zijn geliefde. Als hij haar later weer wil opzoeken is ze niet meer te vinden. Hij trekt als barpianist door Europa, treedt op in hotels die betere tijden gekend hebben en heeft relaties met vrouwen van zijn moeders leeftijd voor wie hetzelfde geldt.

Zijn moeder krijgt kanker, kiest voor alternatieve behandelwijzen en sterft. Ludwig verzorgt haar, samen met zijn Groningse oom en tante, tot haar dood. Daarna zoekt hij zijn vader op in het oerwoud van Panama. Van de kaart met 'Hou van mij' zegt zijn vader zich niks te herinneren.

De vroegere huiseigenaar uit Engeland overlijdt en Ludwig gaat naar de begrafenis. Hij ontmoet in het hotel, waar hij net als vroeger weer als pianist kan werken, een vrouw van zijn eigen leeftijd aan wie hij het bovenstaande verhaal vertelt. Dit verhaal vormt het boek. Vooral de gedeelten over zijn verliefdheid, de ziekte van zijn moeder en de tocht door het oerwoud naar zijn vader vond ik indrukwekkend, maar de rest van het boek is ook zeer de moeite waard. Niet alleen het verhaal is mooi, het taalgebruik is dat eveneens. Het overkomt me niet zo vaak dat ik een beschreven omgeving 'voor me zie', maar ook dat gebeurde me verschillende keren in dit boek.

Uitgebreidere en diepgaandere besprekingen vind je o.a. hier (NRC), hier (Trouw) en hier (VN).
Maar lees vooral ook het boek.

woensdag 20 mei 2009

Moralistisch praatje 4 (slot)























Ik wilde het nog hebben over dat artikeltje waar Jan op twitter naar verwees over dat onderzoek waarin is aangetoond dat een teveel aan 'twitterachtige' informatie kan leiden tot een afnemend vermogen je in een ander in te leven en met hem mee te voelen. Ik hoopte dan uiteindelijk uit te komen bij de literatuur en de bibliotheek, die samen een tegenwicht zouden kunnen bieden voor de tendens tot 'vertwittering'. Maar tot nu toe lukte het me niet om verder te komen dan mijn dagelijkse treinervaringen.

Maar inmiddels hoef ik het niet meer uit te leggen, want het is al gedaan en heel wat beter dan ik het zou kunnen. Het onderstaande citaat is van Tommy Wieringa, die in De Pers werd geinterviewd n.a.v. zijn nieuwe boek Caesarion.

Punt is dat je de lengte, de duur van de roman nodig hebt om onder de huid van een personage te kruipen, om werkelijk te kunnen begrijpen hoe zijn innerlijk raderwerk functioneert. Hoe kun je de dynamiek tussen een paar mensen leren begrijpen? Al die facetten van duisternis en woede, van begeerte en naijver, zet die maar eens goed op papier.

De volgende citaten komen uit de onlangs door Sjoerd Kuyper gehouden Annie M.G. Schmidt-lezing, waar Henk gisteren naar verwees en die ik op mijn beurt iedereen die van lezen houdt van harte aanraad.

Boeken kunnen kinderen vormen. Boeken schenken kinderen de schoonheid van de taal en wat beschreven wordt, boeken zetten hun fantasie in werking of houden die in stand, boeken laten ze in de hoofden van andere kinderen kijken zodat ze niet meteen gaan slaan als iets of iemand afwijkt van wat ze gewend zijn, ja, boeken schenken ze de kennis van goed en kwaad.

(...)

Daarom is het goed dat er kunst is. In kunst is één mens aan het woord. Je kunt niet gaan staan wachten tot je ook een streek op het schilderij mag zetten of ook eens op de cello mag of een eigen kwatrijn in een sonnet mag proppen. Wie naar kunst kijkt of luistert moet zwijgen, wie een boek leest moet zijn aandacht schenken aan een ander. Soms denk ik dat kunst de enige manier is waarop mensen nog contact met elkaar kunnen hebben. Ik denk dat vaak.

(...)

Literatuur is geen beschrijving van de wereld zoals ze is. We moeten verhevigen, indikken, omkeren, niet bevestigen maar ontrafelen en aanzetten tot denken en emoties oproepen dieper dan die van de herkenning, waardoor de kinderen zichzelf en anderen met nieuwe ogen gaan zien.

Wat voor kinderen geldt, geldt evengoed voor volwassenen: door het lezen van literatuur kun je jezelf en anderen en de wereld met nieuwe ogen gaan zien. Met twitter lukt dat toch iets minder volgens mij.

Het verband met de bibliotheek moet iedereen die daar behoefte aan heeft zelf maar bedenken.

Foto: Flickr, gemaakt door: allfr3d

dinsdag 17 maart 2009

Onder de buizen













Foto hier gevonden.

Tommy Wieringa, vandaag in zijn column in De Pers:

Nadat de schrijver het landschap van zijn verbeelding heeft verlaten, begeeft hij zich in de dagelijkse realiteit. Hij gaat naar bibliotheken om voor te lezen uit zijn boeken, hij bezoekt zaaltjes om te vertellen over zijn werk. Een omgeving van systeemplafonds en het schelle licht van tl’s. Functionele, doodse ruimtes, vaak geregeerd door vrijwilligers, mensen met goede bedoelingen, met hart voor de zaak, soms zijn ze de literatuur oprecht toegedaan.

Ze maken de avond mogelijk, maar zijn er tezelfdertijd de beperking van.

Lees hier de hele column.

vrijdag 9 januari 2009

Boek&bieb 9

AvA wees me op een alinea uit Joe Speedboot van Tommy Wieringa waarin een bibliotheek voorkomt. Dankjewel AvA!

De ik-figuur/verteller in Joe Speedboot heet Fransje. Hij is verlamd, zit in een rolstoel en kan slechts een arm gebruiken. Hij beschrijft zijn leven in dagboeken.

Ik denk vaak aan de grote samoerai Miyamoto Musashi wanneer ik schrijf, die zegt dat de weg van de samoerai tweeledig is: de weg van het zwaard én die van het penseel, ofwel de pen. De weg van het zwaard is een beetje moeilijk voor mij, blijft die van de pen over. Ik heb dat uit Het Boek van de Vijf Ringen, Go Rin No Sho, het boek dat ik in de bibliotheek vond en stukgelezen heb. Ik heb het nooit teruggebracht.

Het motto van Joe Speedboot luidt:

Er wordt gezegd dat de samoerai
een tweevoudige Weg heeft,
van het penseel en het zwaard.

MIYAMOTO MUSASHI


Ik kan uit het boek niet opmaken of de schrijver een bestaande bibliotheek voor ogen heeft gehad. Daarom bovenstaand een plaatje van Het Boek van de Vijf Ringen.

zondag 12 oktober 2008

Hoger dan de werkelijkheid*

















Foto van de website Galeries.nl

Ik had het plan nog een keer wat te vertellen over de film Vliegtuig van Joost Conijn. Van die film heb ik erg genoten en daar zou ik graag iets van willen overbrengen. Ik verheugde me erop dat nu eens op te schrijven, maar inmiddels zit ik al een tijdje achter mijn toetsenbord en vrees dat het niet gaat lukken zoals ik het zou willen. Daar zijn diverse redenen voor: ik heb het boek Joe Speedboot niet zelf, over de film is niet erg veel te vinden, en in mijn hoofd zitten slechts vage beelden en gedachten. Maar ik ga het in elk geval proberen.

In Joe Speedboot komt een verhaal voor over jongens die zelf een vliegtuig bouwen. Misschien was het ook maar één jongen die het bouwde (daar heb je het al, dat kan ik nu niet opzoeken). In het dorp waar deze jongens woonden ging het gerucht dat een vrouw soms naakt in haar tuin zat te zonnen. Helaas was de tuin omgeven door schuttingen en de enige oplossing leek het bouwen van een vliegtuig. Zo gezegd, zo gedaan. Het vliegtuig kwam er, al steeg het uiteindelijk op in de winter en zal er toen in die tuin niet veel te zien zijn geweest. Maar daar ging het inmiddels ook al niet meer om.

Toen ik dit verhaal las dacht ik: leuk bedacht, maar dat kan natuurlijk nooit. Dat maakte ook niet uit, want in het boek was het heel aannemelijk dat het gebeurde en dat is m.i. de kracht van literatuur: iemand laten geloven in wat je schrijft. Later hoorde ik dat zo'n zelfgemaakt vliegtuig echt bestaan had, maar het fijne daarvan werd me pas duidelijk toen Tommy Wieringa (de schrijver van Joe Speedboot) gastschrijver werd bij TU Delft en daar een lezing gaf en ook een avond organiseerde rond de film Vliegtuig. Op die laatste avond hoorde ik dat het vliegtuig in Joe Speedboot geïnspireerd was door het vliegtuig van Joost Conijn.

Joost Conijn maakte een achteruitrijfiets; hij bouwde een auto van hout die op een houtmoter reed en ging daarmee naar Oost-Europa, o.a. naar Tsjernobyl; hij maakte een film over zijn min of meer 'in het wild' opgroeiende buurkinderen op het KNSM-eiland, die op tv te zien is geweest en die je nu nog via internet kunt zien; hij bouwde in de woestijn van Marokko een hek dat automatisch opengaat als er een auto aankomt en hij maakte met twee vrienden een fietstocht door Marokko en deed daar in de film Olland verslag van. Hij bouwde ook een vliegtuig. Ik wist dit allemaal niet, maar kwam er langzamerhand achter nadat ik op die avond in Delft Joost Conijn en zijn film Vliegtuig had gezien.

Joost Conijn kreeg het idee eigenhandig een vliegtuig te bouwen en bouwde dat min of meer zoals jongens vroeger een zeepkist bouwden. In de film is te zien hoe dat in zijn werk ging: hoe hij praatte met mensen die hem advies gaven, hoe hij op de sloop materialen kocht, hoe hij het vliegtuig in elkaar zette en hoe hij daar bij geholpen werd, hoe hij het vervolgens weer gedeeltelijk uit elkaar haalde en hoe hij de stukken in een aanhangwagen achter zijn auto naar Marokko bracht om ze daar weer aan elkaar te koppelen en hoe het vliegtuig uiteindelijk in de woestijn van de grond kwam en vloog. De film laat vooral een onvoorstelbaar doorzettingsvermogen en een indrukwekkende onverstoorbaarheid zien. Want zo'n beetje alles wat mis kon gaan ging ook mis. B.v.: de auto waarmee hij naar Marokko reed was oud en ging kapot en moest ergens in een dorpje in een kleine garage gerepareerd worden, wat dagen kostte (maar wel mooie beelden opleverde).

Ik geloof dat het niet in de film te zien was maar dat Conijn het op die avond zelf vertelde: ook de vliegtuigmotor (een automotor) ging kapot omdat het koelwater bevroor in de woestijnnacht. De moeder van Conijn heeft toen per vliegtuig een nieuwe motor gebracht, in stukken uit elkaar gehaald om als handbagage mee te kunnen (nog voor 9/11 neem ik aan). (Het grappige van dit verhaal is dat het een van de weinige dingen is die ik me nog met zekerheid herinner van die avond omdat ik het zo bijzonder van die moeder vond dat ze meewerkte aan dit project, maar dat ik inmiddels op internet een filmpje gevonden heb waarin Tommy Wieringa vertelt dat het de váder van Joost Conijn was. Zo lijkt het verhaal er omheen al een soort mythe.)

Uiteindelijk heeft het vliegtuig, met Conijn aan het roer (of hoe heet zoiets) echt even gevlogen boven de Marokkaanse woestijn. Later heeft hij het verbeterd en heeft het langer gevlogen, ik geloof boven Tsjechië (dit is volgens mij niet meer in de film te zien), en is het daar neergestort met Conijn en een passagier erin, die het allebei overleefd hebben.

Na afloop van de film waarbij ik zoals dat heet op het puntje van mijn stoel zat, stelde Wieringa wat vragen aan Conijn. Aan de vragen lag het niet, want naast goed schrijven en goed voorlezen kan Wieringa ook nog 's goed interviewen, maar de antwoorden van Conijn waren meestal nogal kort. B.v. op de vraag 'Hoe kwam je daar nou toe om een vliegtuig te gaan bouwen?' was het antwoord, na enig nadenken 'Dat leek me wel leuk.' In de zaal heb je dan altijd wel een paar mensen die er een theorie over willen horen en er iets filosofisch van willen maken (misschien om hun eigen kennis op dat gebied te etaleren), maar dat had op Conijn geen enkele invloed. Dat het vliegtuig en alles eromheen in feite een kunstwerk is, was ook niet aan de orde. Er was een vlieguig gebouwd en het had gevlogen, daar ging het om. Wieringa vroeg ook nog of het eigenlijk niet een beetje raar was om zelf een vliegtuig te bouwen terwijl er toch veel betere vliegtuigen bestaan. Iets wat je zelf maakt is iets heel anders, antwoordde Conijn daarop.

Omdat het vliegtuig gewoon het vliegtuig was en de film gewoon de film en er verder geen enkele diepere lading aan werd meegegeven, kon je er als toeschouwer van denken wat je wou. Zelf was ik eerst vooral geboeid door het spannende avontuur, vol tegenslagen en met een onverschrokken hoofdpersoon: een pachtig jongensboek en nog echt gebeurd ook. Een hele opluchting dat het uiteindelijk lukte en dat het vliegtuig vloog, maar alles wat er aan vooraf ging maakte toch de meeste indruk: het blijven geloven in het doel en het steeds maar weer tegenslagen weten te overwinnen.

Na afloop teruglopend naar de trein begon ik er mijn eigen lading in te stoppen. Die film, dat was eigenlijk een metafoor voor het leven zelf, en dat soort gedachten. Die moet iedereen die daar zin in heeft er verder zelf maar bij bedenken.

Toen ik de film zag bleek net de week daarvoor de laatste week te zijn geweest van een tentoonstelling in Museum Boijmans, waar o.a. het vliegtuig en de houtauto en alle films van Conijn te zien waren geweest. Dat ik dat niet eerder geweten had speet me natuurlijk wel.

Als iemand mij een tip kan geven waar ik die film nog eens kan bekijken: dankbaarheid zal hem/haar ten deel vallen plus desgewenst appel- of kwarktaart naar keuze, huisgemaakt en thuisbezorgd overal in Nederland (voor zover met openbaar vervoer te bereiken).

Zelf heb ik ook nog een tip: als er nog eens gebrainstormd moet worden over de toekomst van de bibliotheek zou het misschien een idee zijn om voor de afwisseling eens niet naar Umbrië af te reizen, maar een zaaltje te huren en daar Vliegtuig van Joost Conijn te bekijken.

Er is een boek van Joost Conijn: IJzer en video, waarin zijn projecten beschreven worden en waarin je foto's ervan kunt zien.** De foto's van het vliegtuig vond ik na de film een beetje tegenvallen, maar die van de houtauto vond ik prachtig.
Wie geïnteresseerd is googele zelf verder. Eén link: het filmpje met Tommy Wieringa waarin de moeder ineens een vader is.

Ik hoop dat het gelukt is in elk geval íets van mijn enthousiasme over deze film over te brengen.

*'Hoger dan de werkelijkheid staat de mogelijkheid.' Martin Heidegger. Leek mij wel een aardige titel voor dit stukje.
** @Henk: De ZB heeft het boek.

p.s. Nou bleek bij nader inzien Joe Speedboot toch in mijn kast te staan. Het zijn vier jongens die het vliegtuig bouwden: Joe, Engel, Christof en Frans.
Citaat: '- 't Is eigenlijk heel simpel, zei hij. Als we haar naakt willen zien, moeten we zelf een vliegtuig hebben.'
Dat had ik in elk geval goed onthouden. Die 'hij' is Joe. Het dorp heet Lomark.

woensdag 8 oktober 2008

Kippenvel bij Tommy Wieringa


















Foto van Literatuurplein

'Vervolgens kwam Tommy Wieringa, die een aanvankelijk rommelige zaal prachtig wist te bespelen en te boeien, waarover in een volgende 'post' nog iets meer,' schreef ik zondag in mijn stukje over de tweede avond van het GDMW-festival. Vandaag dan die beloofde 'post'.

Ik ken Tommy Wieringa, zoals ongetwijfeld de meesten die hem kennen, in de eerste plaats van Joe Speedboot. Later las ik ook Alles over Tristan. Ik heb hem een keer gezien bij Lezen Etcetera Live, waar hij geïnterviewd werd door Pieter Steinz. (Na hem kwam toen trouwens Ilja Pfeijffer, een mooie middag was dat.) Iets wat me van Wieringa zeker zal bijblijven is dat hij een keer als gastschrijver bij TU-Delft de film Vliegtuig over Joost Conijn liet zien en vervolgens een gesprek met Conijn voerde. Een prachtige film waar ik erg van genoten heb en waar ik misschien nog maar 's een stukje over moet schrijven, ook al past dat niet helemaal in de lijn van dit blog.

Al met al verheugde ik me op het optreden van Wieringa, afgelopen zaterdag. En mijn verwachtingen zijn uitgekomen of liever gezegd overtroffen, want wat er gebeurde bezorgde me wat ze in Idols een 'kippenvelmoment' zouden noemen. Ik hoop dat ik het een beetje kan overbrengen.

Wieringa had, zou je kunnen zeggen, de pech dat hij moest optreden tussen twee muziekoptredens, die van Gabriel Rios en Hans Teeuwen. Toen hij al achter zijn lessenaar stond was de zaal nog druk aan het leegstromen. Toen de rust weer was weergekeerd ('Zo, nu zijn we onder ons,' zei Wieringa) zaten er waarschijnlijk naast mensen die speciaal voor hem waren gekomen ook mensen in de zaal die alvast een plekje wilden hebben voor Hans Teeuwen en die Wieringa er maar even bij namen. En krijg nu vervolgens zo'n zaal maar eens mee. Dat lukte hem fantastisch. Hij las bijna allemaal nieuw werk voor, wat ik erg sympathiek vond. Het waren korte, enigszins ironische verhalen, waar je als je ze zelf las af en toe wel om zou kunnen glimlachen. Maar voorgelezen door Wieringa bleken ze de zaal voortdurend luid aan het lachen te krijgen. De combinatie van de tekst én de manier waarop W. hem las, was precies goed.

Ik herinner me min of meer letterlijk deze zin: 'De afgelopen zomer bracht ik door omstandigheden een paar dagen door op een camping in Heeg.' Als je het zo leest lijkt dat niet erg opwindend, maar als je het hoort met de enigszins plechtige, gedragen stem van Wieringa bekruipt je een aangenaam gevoel van verwachting. En dat gevoel was in de zaal duidelijk te bespeuren. Na de titel 'Braadworst', gevolgd door deze beginzin, was er niet veel meer nodig om het ene lachsalvo na het andere te ontketenen met een verhaal over een buurman in een caravan met een brommend koelapparaat op het dak waardoor de 'ik' van het verhaal hem hevig ging haten, een haat die verdween toen de buurman hem de volgende dag tijdens een volleybalwedstrijd een in de gekoelde caravan klaargemaakte braadworst aanbood.

Na een aantal nieuwe verhalen las W. ook nog iets voor uit zijn bundel reisverhalen Ik was nooit in Isfahan. Dit verhaal ging over het verstrooien van de as van een overleden oom, wat uiteindelijk, omdat de as in de urn geklonterd was, uitliep op leeglepelen terwijl de 20 jaar jongere Egyptische echtgenoot van de moeder van de hoofdpersoon, 'papa Afrika', er een Egyptisch dodenlied bij zong. Lees het zelf maar eens.

De verhalen waren de moeite waard, maar wat vooral indruk op me maakte was hoe enthousiast de toehoorders werden. Achter mij zat een jongeman (zo klonk hij althans, ik heb niet omgekeken) die tijdens het optreden van Gabriel Rios een beetje zat te vervelen en te kletsen, je kent die types wel (ze zitten altijd wel ergens achter je). Toen Wieringa binnenkwam en applaus kreeg, zei mijn achterbuurman: 'Nou, ze schijnen hem allemaal te kennen.' Maar al snel kwam hij in de ban van Wieringa en begon hij er duidelijk plezier in te krijgen. Hij lachte om alles waarom te lachen viel en herhaalde genietend sommige woorden, zoals 'braadworst'.

Het was me een groot genoegen om te merken dat literatuur dit met mensen kan doen. Dat wist ik ook wel, maar ik was het een beetje vergeten. Natuurlijk was het niet alleen de tekst maar ook de man die hem bracht. Het interactieve zat hem gelukkig alleen in het feit dat je kon lachen en klappen. Je hoefde niet door te klikken, te taggen, te linken, te delen, je hoefde niet te twitteren, niet mee te denken hoe het verder zou moeten, je had niet eens een pc nodig en je telefoon moest uit. Je hoefde alleen maar te luisteren en te genieten. En dat deed ik. Dankuwel, meneer Wieringa.

En wat het achteraf nog extra leuk maakte: in De Pers, waarin Wieringa een column heeft, schreef hij gisteren over zijn ervaringen op het GDMW-festival. O.a. dit:
'Even tevoren heb ik voorgelezen in de grote zaal van de schouwburg. Het was na middernacht, het moment dat landerigheid en dronkenschap het voor het zeggen krijgen en het publiek eigenlijk alleen maar wacht op de act na jou, Hans Teeuwen die liedjes zingt. Een verloren, stimulerende positie. Ik lees verhalen die ik nog niet eerder heb voorgelezen, langzaam verandert er iets in de zaal, het rumoer gaat liggen, er ontstaat een hoopvolle stemming. De verhalen weven dunne draden tussen mij en de mensen in het donker, de woorden fonkelen als druppels aan een vislijn, elk afzonderlijk woord wordt verstaan en begrepen. Ik stook het vuur langzaam op, het wordt aangeblazen door applaus en gejoel - dit is wat voorlezen moet zijn, het ontketenen van een opstand.'

Website van/over Tommy Wieringa.

zondag 5 oktober 2008

GDMW 2






















Rien Vroegindeweij: 'Mijn wortels', gevonden op zijn website/blog),
foto: Rommert Boonstra

Gisteravond begaf ik mij wederom naar het GDMW-festival. Ik had een beetje moeite om binnen te komen omdat op de eerste avond mijn passe-partoutkaartje verkeerd was afgescheurd, maar waarschijnlijk mede dankzij mijn onschuldige uiterlijk liep het goed af. Ik had thuis al mijn eigen programma samengesteld. Het was lastig kiezen tussen de twee openingsvoorstellingen: ofwel de première van een film over Rien Vroegindeweij, ofwel een voorvertoning van een stuk over Bukowski, gespeeld door John Buijsman. Met Bukowski heb ik een paar maanden geleden kennis gemaakt door het lezen van zijn boek Postkantoor, dit omdat op ZB Digitaal Bukowski werd aangeprezen, en ik ZB Digtaal was gaan lezen omdat ik de 23dingen aan het doen was en Edwin van ZB Digitaal een van onze docenten was, waaruit je maar weer ziet dat alles altijd wel ergens goed voor is als je het maar wilt zien, want ik vond het een geweldig boek (dames, alleen op je lijstje zetten als je geen moeite hebt met niet al te nette & niet al te feministische boeken). Maar waar had ik het over, o ja: een dilemma. Ik loste het op door te bedenken dat ik die voorstelling later eventueel nog zou kunnen zien en die film misschien wel nooit meer.

Bovendien had ik aan Vroegindeweij een oude herinnering: zo'n jaar of 30 geleden had je in R'dam ook al literaire programma's en toen ging ik daar ook al wel eens naartoe. Het was toen nog veel kleinschaliger, maar ook heel leuk. Vroegindeweij las daar een keer gedichten voor die me wel aanspraken, al las ik in die tijd uit mezelf nooit een gedicht. Ook ontdekte ik een paar dagen geleden dat Vroegindeweij uit een dorp komt waar ik als kind een aantal jaren gewoond heb. Alles bij elkaar besloot ik naar zijn film te gaan. D.w.z. het is een film óver hem, gemaakt door zijn zoon Victor. Van deze keus heb ik geen spijt gekregen: ook dit was, net als die over Benali, een erg aardige film over een erg aardige man. Hij bleek geboren te zijn in dezelfde straat waar mijn opa & oma gewoond hebben. Ik overwoog even, toen ik in de pauze vlak langs hem liep, om dat tegen hem te zeggen, maar dat durfde ik toch niet.

Na de film ging ik naar Hagar Peeters, die gedichten voordroeg met pianobegeleiding. Ik begreep er helaas weinig van, maar het was toch leuk om mee te maken. Toen naar Arthur Japin, die uitlegde waarom het best mogelijk is van twee mensen tegelijk te houden en er mee samen te wonen (zoals hij doet). Vervolgens las hij een paar dingen voor, o.a. een stuk uit zijn nieuwste boek, Overgave. Hij is acteur geweest en kan (dus) prachtig voorlezen. Hij riep ons op om op hem te stemmen voor de NS-Publieksprijs. Schrijvers zijn ook maar mensen, zo blijkt maar weer.

Na de pauze trad gitarist en zanger Gabriel Rios op, bekend van een film van Theo van Gogh en van een Appelsientje-reclame, maar voor mij geheel nieuw. Best leuk om te horen, maar niet iemand waar ik nog eens heen hoef. Vervolgens kwam Tommy Wieringa, die een aanvankelijk rommelige zaal prachtig wist te bespelen en te boeien, waarover in een volgende 'post' nog iets meer. (Een beetje blogstof in petto hebben voelt wel prettig.)

Tot slot Hans Teeuwen. Aangezien ik zelden tv kijk was hij voor mij slechts een naam. Een van mijn wel tv-kijkende huisgenoten had me gewaarschuwd: die is nogal grof hoor. Ik ging er dus eens goed voor zitten, maar het bleek 'Hans Teeuwen Zingt' te zijn en van cabaret o.i.d. was geen sprake. Dus dat viel mee (of tegen natuurlijk). Het verband met literatuur ontging me, maar ik was behoorlijk onder de indruk van zowel Teeuwen zelf als van zijn band.

Om 1.15u verliet ik De Rotterdamse Schouwburg om in de stromende regen tegen de wind in door slechtverlichte straten huiswaarts te fietsen. Maar dat vermocht de pret niet meer te drukken.