WELKOM OP MIJN WEBLOG

Dit blog is in de loop der jaren veranderd. Ooit ging het vooral over de bibliotheek, nu gaat het meer over lezen en taal. (Wie denkt: de bibliotheek gaat toch óók over lezen en taal, ziet dat anders dan ik.) Ooit werd het elke dag bijgehouden, nu minder regelmatig. Wat hetzelfde gebleven is: opmerkingen zijn van harte welkom.

donderdag 27 december 2012

Wat ik las 72

Ook na twee keer lezen weet ik nog niet precies wat ik van Dit zijn de namen van Tommy Wieringa vind. Ik ging het lezen in de verwachting  dat ik het goed zou vinden, omdat tot nu toe alles van Wieringa me beviel. Maar toen ik het boek uit had was ik een beetje teleurgesteld. Ik las vervolgens de recensie van Jeroen Vullings uit Vrij Nederland en was het daar wel mee eens. Mooi geschreven maar de personages blijven op afstand, vindt hij en zo had ik het ook ervaren. Als dit het eerste was dat ik van Wieringa las zou ik het er misschien bij hebben gelaten, maar omdat ik inmiddels van zijn werk hou en ook soms nog met genoegen terugdenk aan een optreden van hem waar ik bij was, besloot ik het boek nogmaals te lezen.Vaak levert herlezen nieuw inzicht op en dat was ook nu het geval. Na die tweede keer las ik de bespreking van Arjen Fortuin uit de NRC. Die was een stuk positiever (vier sterren in plaats van twee) dan die van Vullings. En ik was het nu toch meer met Fortuin eens dan met Vullings, al blijf ik vinden dat de personages niet echt voor me zijn gaan leven. Maar nu denk ik: misschien is dat juist wel wat Wieringa beoogt: je laten beseffen hoe vreemd de medemens je meestal blijft, zelfs al weet je het een en ander van hem of haar.

De persoon in het boek over wie de lezer het meest te weten komt is commissaris van politie Pontus Beg uit Michailopol, een stad aan de rand van de steppe, ergens in de voormalige Sovjet-Unie. Vroeger was het een grote bloeiende stad, nu is hij in verval geraakt. Er gingen ooit vijftien treinen per uur, nu gebruikt de begrafenisondernemer het stationsgebouw als opslagplaats voor zijn doodskisten. Beg is drieënvijftig en verwacht niet veel meer van het leven. Hij houdt vast aan gewoontes: vier glazen drank per avond, niet minder maar ook niet meer, een keer per maand naar bed met zijn huishoudster, slechts op bescheiden schaal deelnemen aan de corruptie. Een enkele keer wordt hij overvallen door heimwee naar vroeger, soms krijgt hij een driftaanval of probeert hij zijn huishoudster over te halen tot nóg een nacht, waar zij nooit op ingaat. Toen hij jong was is hij kortstondig gelukkig geweest en hij denkt dat geluk iets te maken heeft met verwachting en verlangen.

Als er een rabbijn sterft vindt Beg dat die een joodse begrafenis moet krijgen, maar hij weet niet hoe dat moet en er zijn voor zover hij weet geen andere Joden meer in Michailopol. Maar hij vergist zich: er blijkt nóg een rabbijn te zijn, de allerlaatste Jood in de stad, die de overleden rabbijn een slecht mens noemt maar hem wel wil begraven volgens de traditie. Beg herinnert zich een jiddisch liedje dat zijn moeder vroeger voor hem zong en vraagt de rabbijn ernaar. Het blijkt een liefdesliedje te zijn. Het komt ook weer bij hem boven  dat zijn moeder een menora had en hij ontdekt dat zij een achternaam heeft die Joods zou kunnen zijn. Hij begint te vermoeden dat hij zelf dus misschien ook Joods is en gaat boeken over het jodendom lezen. Het geeft hem vaag het gevoel ergens bij te horen. Hij gaat regelmatig bij de rabbijn theedrinken en praten.

Intussen wordt ook een ander verhaal verteld, in hoofdstukken die tussen die over Beg staan. Dertien mensen willen illegaal de grens oversteken en betalen daarvoor een mensensmokkelaar. Ze worden tussen de pallets in een vrachtauto geladen, passeren (zo denken ze) de grens, mogen er weer uit en krijgen de aanwijzing drie uur naar het westen te lopen, dan zullen ze een stad bereiken. Maar na drie uur is er geen stad te zien, enkelen gaan terug, de anderen trekken verder door de steppe. Daar valt nauwelijks voedsel te vinden, er gaan steeds meer mensen dood en na maanden bereiken de laatste vijf Michailopol, waar ze zich op de vuilnisbakken storten. Ze nemen hun intrek in het stationsgebouw en gebruiken de doodskisten om vuur van te stoken en in te slapen. De bevolking is bang voor de spookachtige zwervers en beklaagt zich. Beg laat hen arresteren. Als blijkt dat ze het hoofd van een man bij zich hadden gaat hij hen een voor een verhoren over de toedracht. Ze laten aanvankelijk geen van allen iets los, maar Beg komt er langzaamaan achter dat ze geloofden dat de door hen doodgeslagen Ethiopiër, van wie ze aanvankelijk dachten dat hij de groep ongeluk bracht, na zijn dood hun gids was geworden en hen uiteindelijk had teruggevoerd naar de bewoonde wereld.

Beg ziet een zekere overeenkomst met de uittocht uit Egypte, toen de joden veertig jaar door de woestijn zwierven voor ze het land Kanaän konden binnentrekken en al die tijd het gebeente van Jozef meevoerden om het daar te kunnen begraven. Hij praat erover met de rabbijn en veronderstelt dat wat de groep zwervers is overkomen in een andere tijd en onder andere omstandigheden misschien het begin van een religie had kunnen worden. De rabbijn reageert hierop door te zeggen dat er bínnen de Thora genoeg ruimte is voor twijfel en discussie. 'Onderzoekt u het geloof, niet het ongeloof'.' Het antwoord op twijfel is lernen en dát is wat Beg moet doen.

Aan het eind van het verhaal blijkt de jongen uit de groep bij Beg te wonen. Beg suggereert hem dat hij misschien ooit Jood kan worden en naar Israël emigreren. En later kan terugkomen om Beg te begraven.

De vluchtelingen bleven me ook bij de tweede keer lezen vreemd. Ook de leden van de groep kenden elkaar niet, het was ieder voor zich. Ze moesten bij elkaar blijven om te overleven en wie niet verder kon werd achtergelaten. Op het laatst ontstond er enige gemeenschappelijkheid rond de verering van het hoofd.

Beg heb ik voor m'n gevoel toch wat beter leren kennen. Een man die in het leven teleurgesteld is en soms aan vroeger denkt, toen hij nog verwachtingen had. Iemand die probeert zich staande te houden met de hulp van een paar gewoontes en regels en die wat hoop put uit religie. Een mens dus zoals vele of misschien alle mensen, al is niet iedereen veroordeeld tot het troosteloze leven van Beg. Maar dat het ook veel erger had kunnen zijn blijkt uit wat de vluchtelingen meemaken.

Ooit is Beg verliefd geweest.

   Ach, de verliefde die meent dat deze bekoring zijn eigenlijke, zijn natuurlijke staat is; wat een onrecht dat ze hem meestentijds onthouden wordt! Hoe heb je zonder kunnen leven? Nu zijn de schellen hem dan van de ogen gevallen. Nu hij weet hoe het eigenlijk is, zal hij niet meer loslaten, dit zal voortaan zijn leven zijn. In deze gloed, in deze bedwelming zal hij verdergaan.

Zijn geluk duurt enkele seizoenen.

Ik vond het, al met al, een boek met teveel lijnen waarvan ik het samenbrengen wat te 'gezocht' vond. Maar het is ook een boek dat ik niet meteen weer zal vergeten en dat het twee keer lezen waard was. En Wieringa schrijft heel mooi Nederlands. Als ik sterren moest geven, gaf ik er drieëneenhalf.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen