Het is nog maar een week geleden dat ik Plattegrond van een jeugd van Wanda Reisel uitlas, maar het is me nu al onmogelijk meer dan een paar kleinigheden te vertellen over de inhoud. Dat was zelfs al zo toen ik het aan het lezen was: halverwege zou ik het begin niet meer hebben kunnen navertellen. Dat zegt vooral iets over mij, over mijn geheugen en over mijn te onaandachtige manier van lezen. Het zegt ook wel iets over het boek. Tijdens het lezen vond ik het een aardig boek, maar het bood onvoldoende houvast om er iets van te onthouden. Nu zijn er heel wat boeken die ik tijdens het lezen géén aardig boek vind, en als een boek me een tijdje aangenaam bezighoudt waardeer ik dat, want wat is lezen meer dan proberen jezelf door middel van een boek aangenaam bezig te houden? Je kunt natuurlijk zeggen dat lezen je geest verruimt, je aan het denken zet, dat je er wat van leert, dat het je taalvaardigheid vergroot enz. enz., en dat is ook allemaal wel zo (d.w.z. af en toe), maar ik zou liegen als ik beweerde dat ik het daarvoor deed. Ik lees om niet aan iets anders te hoeven denken, zo simpel is het en zo simpel was het m'n hele leven al (vanaf dat ik leerde lezen). Lezen biedt je de kans (even) te ontsnappen aan het 'echte' leven.Sommige schrijvers pakken je tijdens je poging tot ontsnappen genadeloos in je nekvel en zetten je terug op de plaats waar je nou net vandaan wilde. Coetzee bijvoorbeeld, of Bloem. Zij geven je niet de kans te vergeten dat het leven een hachelijke zaak is, integendeel, ze benadrukken het. Ze bieden slechts één troost: ze formuleren het prachtig. Maar dat is dan ook een troost waar je wat aan hebt.
Plattegrond van een jeugd biedt geen troost maar afleiding en dat is altijd welkom. Het boek bestaat uit stukjes over het huis waarin de schrijfster opgroeide, afgewisseld met andere verhalen, die vaak iets surrealistisch hebben, zoals b.v. dat een hoofpersoon steeds vaker woorden ziet in plaats van de dingen zelf. De stukjes over het huis, een huis met vijf verdiepingen en zestien kamers, waarvan de tuin grenst aan het Vondelpark, vond ik het leukst. Als ik het goed heb bestond het gezin uit vader, moeder en zes kinderen. Een zevende kind is verongelukt op Curaçao, waar ze vroeger gewoond hebben. Als Wanda vijf is komen ze in het huis aan de Van Eeghenstraat. Ze zijn joods maar dat blijkt in de dagelijkse gang van zaken eigenlijk alleen uit de vrijdagse maaltijd waarvoor Wanda altijd de tafel dekt. En er zijn familieleden vermoord in de oorlog, wat voor de kinderen op de achtergrond een rol speelt. Voor de ouders, die in de oorlog ondergedoken hebben gezeten, zal dit anders zijn geweest en het vormt een soort geheim zoals meer dingen van de volwassenen voor Wanda een geheim lijken waarvan ze vindt dat ze het moet ontdekken.
Het meisje Wanda is jongensachtig en trekt het liefst met jongens op. Wat me nog het best uit het boek bijstaat is dat een groepje kinderen (ze zullen een jaar of 10 geweest zijn denk ik) als indianen door de tuinen van de buurhuizen sloop, over hekken klom en soms door boze bewoners werd nageroepen. Ze kenden daar ook een mevrouw die een ezel in haar sousterrain hield en toen de ezel dood ging hielpen de kinderen haar om hem te begraven en kregen ze limonade. Volgens de schrijfster deden de avonturen in de achtertuinen niet onder voor die van dorpskinderen. Verder hield ze zich bezig met het houden van insecten in potjes, het doorsnijden van wormen e.d. Ook schreef ze verhaaltjes. De ouders gaven hun kinderen zo te lezen veel vrijheid.
Van Wanda Reisel las ik jaren geleden Een man een man, dat ik me herinner als een onderhoudend boek. Het is een schrijfster die me aangenaam weet bezig te houden, zonder diepe indruk na te laten. Laat ik haar bij de categorie 'sympathiek' indelen, samen met b.v. Koos van Zomeren.

