WELKOM OP MIJN WEBLOG

Dit blog is in de loop der jaren veranderd. Ooit ging het vooral over de bibliotheek, nu gaat het meer over lezen en taal. (Wie denkt: de bibliotheek gaat toch óók over lezen en taal, ziet dat anders dan ik.) Ooit werd het elke dag bijgehouden, nu minder regelmatig. Wat hetzelfde gebleven is: opmerkingen zijn van harte welkom.

zondag 21 februari 2010

Zaterdagmiddag, Bibliotheek 010



















Ook vanmiddag (zaterdag) was ik weer enkele uren in de Centrale van Bibliotheek Rotterdam. Nadat ik een aantal boeken verzameld had ging ik om erin te bladeren aan de tafel bij de GLB zitten, voor mij tenslotte een vertrouwde omgeving (al staan er in verhouding tot waar ik aan gewend ben maar weinig boeken). Na een tijdje kwam een man met een laptop aan dezelfde tafel zitten. In de verte waren wat geluiden van de kinderafdeling. Wat dichterbij zaten een paar meisjes op gedempte toon te praten. Ik had het wel naar mijn zin en dacht: de bibliotheek is eigenlijk net een grote huiskamer en het gaat toch allemaal gewoon goed, ook al zie je geen personeel. (Ik had wel een bibliotheekdame zien zitten bij het informatiepunt, maar dat kon ik vanuit mijn positie niet meer zien.) Ik begon er over te denken maar weer eens vaker te gaan.

Maar toen begon het beeld te kantelen, zoals dat tegenwoordig heet.

De man die ook aan de tafel zat vroeg (in het Engels) of ik even op zijn spullen wilde passen als hij naar de wc ging. Dat wilde ik natuurlijk. Hij bleef een minuut of 10 weg (de wc's zijn beneden en het is er op zaterdag waarschijnlijk druk omdat het dan markt is). Intussen kwamen niet ver van mij vandaan vijf of misschien zes (allochtone) jongens zitten die eropuit waren om te klieren. Een met een petje, een met een capuchon met bontkraag, een met een capuchontrui. Een van hen pakte een boek en gooide dat naar een meisje dat een eindje verder op een bank zat te lezen. Volgens mij raakte het boek het meisje in haar gezicht en anders ging het er rakelings langs, maar ze deed of ze niks merkte. Dat was misschien wel verstandig. Toen gingen de jongens de computer die daar stond aanzetten. Het was een lescomputer, van het leesplein of zoiets (preciese naam ben ik vergeten). Ze zetten hem lekker hard aan en een stem bleef herhalen: 'We gaan het nu hebben over browsen. Browsen is zoeken op de computer.' Dat scheen erg leuk te zijn. Ik begon me op te winden, vroeg me af of ik er iemand bij zou gaan halen of zelf iets gaan zeggen, maar ik durfde mijn plaats niet te verlaten omdat ik op die laptop moest letten. Een van de jongens was daar al een keer iets te dicht langsgelopen naar mijn smaak.

Toen de eigenaar terugkwam hoopte ik dat zijn aanwezigheid zou helpen, maar dat was niet het geval. De 'overlast' ging door en toen ze weer met een boek gooiden (dit keer gelukkig niet naar het meisje), werd ik kwaad genoeg om er naartoe te gaan. Mijn optreden wil ik bepaald niet overtuigend noemen, want in dit soort gesprekken ben ik niet getraind en die jongens waren dat duidelijk wel. Ik vroeg waarom ze niet buiten wat leuks gingen doen en meer van dat soort foute vragen. Het lezende meisje dat eerst niets leek te zien of te horen zei ineens: En naar mij hebben ze een boek gegooid. Ik zei dat ik dat gezien had en dat ik dat gevaarlijk vond en dat ze rekening moesten houden met andere mensen in de bibliotheek. Het lukte me om een keer het woord 'respect' in mijn praatje te verwerken. Het resultaat was dat ze weggingen. Eentje zette nog gauw de computer hard aan, maar de laatste zette hem zowaar weer uit.

Omdat het me ergerde dat er geen personeelslid bij was gekomen, ging ik naar het info-punt en vertelde de daar aanwezige dame wat ik gedaan had. Ze toonde enig medeleven en zei 'Wij kunnen dat hier niet zien'. 'Ja, dat weten die jongens ook,' zei ik daarop. Ik had kunnen waarschuwen, dan had ze er een bewaker bijgeroepen. Ik zei dat ik een laptop in de gaten moest houden. Dat was natuurlijk niet helemaal waar, want toen die man weer terug was kon ik weg. Maar op de een of andere manier vond ik gaan waarschuwen enger dan zelf iets doen. Eng vanwege het feit dat zulke jochies wel 's kwaad kunnen worden. Ik was nu ook een (klein) beetje bang dat ze misschien buiten op me stonden te wachten.

Ik zou dit waarschijnlijk niet gedaan hebben, als ik me niet verantwoordelijk had gevoeld 'als bibliotheekpersoon'. Als ik niet toevallig zelf bij een bibliotheekorganisatie had gewerkt was ik waarschijnlijk gewoon ergens anders gaan zitten, maar dat weet ik natuurlijk niet zeker. Misschien had ik me dan wel als 'burger' of als 'lezer' of wie weet zelfs als 'mens' verantwoordelijk gevoeld.

Wat me aan het geval dwars zit is dat het personeel niet regelmatig een rondje maakt om te kijken of alles goed gaat. Wat ik jammer vind is dat er geen stoerdere types in de bibliotheek werken, bij voorkeur ook een paar van buitenlandse afkomst. Eventueel moeten dat dan maar een paar jongerenwerkers zijn in plaats van bibliothecarissen. Niet alleen om dit soort jongens in het gareel te houden, maar liefst ook om iets met ze te doen waar ze lol in hebben.

Wat me een beetje schokte (ook al wist ik het eigenlijk wel uit de tram enzo) is dat die jongens een soort rudimentair Nederlands spraken met een sterk buitenlands accent. Ze waren een jaar of 14 en vast allemaal hier geboren. Er gaat ook in het onderwijs blijkbaar iets niet goed. Maar een huisgenoot van me dacht dat ze het misschien expres deden, om stoerder te lijken. Dat zou natuurlijk kunnen.

O ja, de multi-touchtable staat op een kleurig geblokt vloerkleed en er omheen staan verschillende vitrines, dus het ziet er gezelliger uit dan op de foto die ik woensdag plaatste. De tafel was vandaag overigens uit of kapot.


Foto: Flickr, gemaakt door tdietmut.

vrijdag 19 februari 2010

Woensdagmiddag, Bibliotheek 010-2

















Op de eerste verdieping van de Centrale van Bibliotheek Rotterdam zag ik afgelopen woensdag een paar aardige dingen. In de krantenzaal, waar ik in al die jaren dat ik in de Centrale kom nog nooit een vrouw heb gezien, zaten er deze keer zelfs twee. (Voor alle duidelijkheid: er zitten wel altijd mannen.) De vitrine 'de keuze van' was gevuld met favoriete boeken van Rien Vroegindeweij. Een heleboel een beetje verfomfaaide, stukgelezen boeken, boeken waar zo te zien mee 'geleefd' was. Ik dacht meteen: hoe kunnen mensen toch van een e-boek houden? (Er eentje lezen is tot daar aan toe, maar er is meer mogelijk tussen mens en boek.)

In het midden van de ruimte stond precies zo'n multi-touchtable als bij ons op het werk 99% van de tijd onaangeraakt op de gang staat te verstoffen (zonde van het geld als je het mij vraagt, maar niemand vraagt het), met een 'omhulsel' van Jan David Hanrath, waar TOUCH ME op staat, waardoor je er tegenwoordig tenminste zonder pijn in je rug op kunt spelen (of hoe men wil dat ik het noem, je erop kunt informeren misschien?). Ik keek eens even wat de tafel te bieden had en zag foto's van het Lezersfeest. Ik wist inmiddels dankzij die tafel op het werk hoe je foto's erop kunt verschuiven en vergroten en voelde me even geheel van deze tijd toen een paar jongens over mijn schouder meekeken naar mijn verrichtingen (niet langer dan 5 seconden maar toch). Er stonden ook mooie foto's op (of zeg je er zaten mooie foto's in?) van 'Lezen in China'. Toen ik weer naar huis ging wilde ik die nog een keer bekijken, maar ik kon ze niet meer vinden. Een lijstje met 'wat zit er in deze tafel en hoe krijg ik het te zien' zou wel handig zijn geweest.

Er zaten blijkbaar ook spellen in, want toen ik er een tweede keer langs kwam stond er een stel jochies van een jaar of tien omheen, die iets aan het spelen waren. Een bibliotheekfunctionaris kwam voorbij, keek even mee en zei 'ssst', terwijl die jongetjes nauwelijks geluid maakten en er bovendien in de buurt van die tafel verder niemand was. Merkwaardig, het leek wel een soort reflex...

Dat laatste was iets minder leuk (hoewel opmerkelijk), maar de rest beviel me wel. En op de tweede en derde verdieping zaten her en der groepjes scholieren te werken en wat studenten te studeren en niemand maakte herrie. En ik zag twee meisjes die toen ze weggingen hun afval in een prullenbak gooiden. En er zat een man te slapen boven z'n boek.

Het 'klikte' die middag zowaar weer 's een beetje tussen mij en Bibliotheek Rotterdam.

Foto van de site van Hanrath.

woensdag 17 februari 2010

Woensdagmiddag, Bibliotheek 010



















Vanmiddag bracht ik enige tijd door in de Centrale van Bibliotheek Rotterdam. Dit met de bedoeling daar citaten te verzamelen van de 100 schrijvers die in het Letterkundig Museum het 'Pantheon' gaan vormen. En dit (dat verzamelen bedoel ik) weer met de bedoeling die citaten op twitcit te zetten. Ik scoorde vijf citaten. Er vielen me ook een paar dingen op. O.a. dat het druk was bij het reuzenschaakbord in de hal: allemaal mannen en heel multi-culti. Ik zag ook een jongen en een meisje van een jaar of 17 op een bank op de tweede verdieping. Op grond van het soort hoofddoek dat het meisje droeg schatte ik hen in als Turks. Het was een driepersoonsbank en ze zaten elk in een hoek. Maar hun benen raakten elkaar toch bijna (of helemaal, dat kon ik niet zien). Het meisje lachte wat te hard voor een bibliotheek, maar er was niemand in de buurt om zich daaraan storen (ik vond het niet erg).

Vind ik schaken en een bank voor verliefden nu ook een zwaktebod, net zoals dat gamen in de middelgrote stad waar ik het vorige week over had? Nee, of in elk geval veel minder. Waarom dat zo is leg ik misschien nog wel eens uit, maar daarvoor moet ik het eerst zelf beter begrijpen.


Foto: Flickr, gemaakt door mollyali.

dinsdag 16 februari 2010

Boek&bieb 25

















In Heft hoog de nokbalk, timmerlieden en Seymour, een introductie van J.D. Salinger komt een bibliotheek voor en bovendien een bibliothecaresse.

De ik-figuur vertelt over zijn broer Seymour, die op 11-jarige leeftijd begon met het schrijven van poëzie in Chinese en Japanse stijl (en er de rest van zijn leven mee zou doorgaan), nadat hij in de bibliotheek op Broadway, vlak bij hun huis, de vertaalde 11e eeuwse gedichten van P'ang ontdekt heeft.

Hij zei dat hij heel vaak, als hij een gedicht had voltooid, dacht aan juffrouw Overman. Ik moet hierbij aantekenen dat juffrouw Overman de bibliothecaresse was van het eerste filiaal van de New Yorkse openbare bibliotheek dat we als kind regelmatig bezochten. Hij zei dat hij het aan juffrouw Overman verschuldigd was om een nauwgezette, niet-aflatende speurtocht te ondernemen naar een vorm van poëzie die in overeenstemming was met zijn eigen speciale normen en tegelijk, zelfs op het eerste gezicht, niet totaal onverenigbaar met de smaak van juffrouw Overman. (...) Hij herinnerde me aan het feit dat de eerste dag dat hij (alleen, zes jaar oud) in de openbare bibliotheek kwam, juffrouw Overman, of ze nu tekort schoot als poëziekenner of niet, een boek had opengeslagen bij een plaat van Leonardo's katapult en dat opgewekt voor hem had neergelegd, en dat het hem geen vreugde schonk om een gedicht af te maken en te weten dat juffrouw Overman moeite zou hebben om het met plezier of betrokkenheid op te pakken, terwijl, wat waarschijnlijk het geval zou zijn, haar geliefde meneer Browning of haar even dierbare en niet minder expliciete meneer Wordsworth nog vers in haar gedachten waren.

Op de foto een bibliotheek op East Broadway. Misschien is het hem...


Foto: Flickr, gemaakt door Emilio Guerra (geen cc, maar ik kon niks anders vinden).

Mededeling

Er zijn wel 's taalfouten waar ik me aan erger, maar er zijn er ook waar ik vrolijk van word. Dit briefje vond ik vandaag, geplakt op het GLB Een handvol zwarte stenen van Gerda van Wageningen, dat inderdaad moest worden afgeschreven.

zondag 14 februari 2010

Wat ik las 37

Games had je in mijn tijd (jaren '60) nog niet, dus voor het besef van goed en kwaad waren we op de bijbel aangewezen, wat ook best aardig werkte. Maar toen kwam Jan Cremer met zijn boek Ik Jan Cremer en kreeg het kwaad een eigentijds gezicht. Ik herinner me nog hoe onze leraar Duits, een om zijn driftbuien beruchte man, tegen het boek tekeer ging. Ik denk dat ik in de tweede klas (van de middelbare school) zat en misschien was dat de reden waarom deze veroordeling niet teweeg bracht dat ik het boek juist graag wilde lezen. Een jaar later was dat misschien heel anders uitgepakt. Het is er in elk geval nooit van gekomen en ik zou het nu nog steeds niet gelezen hebben als ik niet een collega had die in de ongeveer 10 jaar dat ik hem ken af en toe vroeg: heb je nou Ik Jan Cremer al gelezen? Deze collega, die een jaar ouder is dan ik (wat misschien dus alles verklaart t.a.v. dit boek) vindt het boek nl. heel goed.

Deze collega was een paar jaar geleden geruime tijd ziek en omdat ik toen net Postkantoor van Charles Bukowski gelezen had (dankzij een bericht over Bukowski op ZB Digitaal waar ik om feministische redenen niet naar verwijs, zoek eventueel zelf maar) en dat erg goed vond, stuurde ik het hem, omdat ik dacht dat het misschien wel enige overeenkomst vertoonde met Ik Jan Cremer. Toen mijn collega weer terug was zei hij over Postkantoor: ik vond het wel goed, maar Ik Jan Cremer is veel beter.

Toen ik onlangs Onderweg van Kerouac gelezen had, vertelde ik dat aan deze zelfde collega (die niet meer wist of hij het gelezen had maar wel meteen de namen van de hoofdpersonen kon noemen) en toen kwamen we natuurlijk weer op Ik Jan Cremer. En toen zei mijn collega: ik breng het morgen voor je mee en dan moet je het in een maand uit hebben. De volgende dag bracht hij het inderdaad mee, en zei er bij: kijk maar hoe lang je erover doet. En toen ik er eenmaal in bezig was en hem vertelde dat ik het niet zo geweldig vond, zei hij: je hoeft het voor mij niet uit te lezen hoor.

Ik heb het toch maar uitgelezen en heb er bijna twee weken over gedaan. Ten dele deed ik het voor mijn collega, ten dele omdat ik er nu toch eenmaal in bezig was, ten dele omdat ik me afvroeg wat dat boek nu zo ongelooflijk populair heeft gemaakt. Het exemplaar dat ik te leen heb is uit 1996 en de 47e druk. Inmiddels zijn er ongetwijfeld nog diverse drukken gevolgd en een paar jaar geleden is het weer met een nieuwe omslag uitgebracht, ter gelegenheid van het verschijnen van Ik Jan Cremer 3. In het jaar van verschijnen, 1964, beleefde het al 16 drukken. Terecht staat er dan ook 'de onverbiddelijke BESTSELLER' op de omslag.

En hoe beviel het boek me? Matig, zeer matig. Het gaat over een jongen die vlak voor WO II geboren wordt in een industriestad in het oosten des lands. Zijn moeder is Hongaarse maar wordt aangezien voor een Duitse, zijn vader is er vandoor. Hij groeit op in pleeggezinnen en tehuizen, loopt weg, wordt van school gestuurd, gaat in het leger en er ook weer uit, idem voor het Vreemdelingenlegioen, begint op 13-jarige leeftijd, als de buurvrouw hem 's morgensvroeg als haar man naar zijn werk is in haar bed uitnodigt, aan zijn ontelbare relaties met vrouwen, gaat naar de kunstacademie en wordt ook daar weggestuurd, wordt toch een succesvol en beroemd schilder, leidt een leven van drank, drugs, seks en geweld (of de uitdrukking 'geld, drank en lekkere wijven' van Cremer is weet ik niet zeker, maar ik vermoed van wel) en schrijft het allemaal op, voorzien van de nodige krachttermen. Regelmatig terugkerende elementen zijn ook de eenzaamheid en het soms hele nachten huilen.

Gedeeltelijk zal het leven van de Jan Cremer uit het boek wel samenvallen met de 'echte' Jan Cremer, maar ik vermoed dat het boek er enkele flinke scheppen bovenop gooit. Of een boek al dan niet de werkelijkheid beschrijft hoor je je bij literatuur eigenlijk niet af te vragen, maar de lezers van Ik Jan Cremer deden dat natuurlijk toch en zo werd de auteur een mythe en dat was waarschijnlijk precies waar hij op uit was. Lees hierover desgewenst de bespreking van Pieter Steinz in nrc boeken.

Als fenomeen is dit boek beslist bijzonder. Dat het in het overwegend kerkelijke en fatsoenlijke Nederland van 1964 nogal wat opschudding teweeg bracht begrijp ik. Ik vraag me af of je het in elke openbare bibliotheek kon lenen (in de christelijke ongetwijfeld niet).

Als tijdsbeeld heeft het zeker iets, maar voor de stijl hoef je het niet te lezen en ik vond het eigenlijk al snel saai. Postkantoor vond ik veel beter.

Mijn collega vertelde me nog dit: mijn vader had het boek gekocht omdat het zo in de belangstelling stond. Toen hij er wat in gelezen had verstopte hij het op zolder in een commode. Daar vond ik het en ik ging er stiekem steeds een stukje in lezen. De volgende dag vertelde ik dat dan na op school. De andere jongens waren zeer geïnteresseerd.

Dat een boek op die manier een onuitwisbare indruk achterlaat begrijp ik volkomen. Maar voor mij kwam de kennismaking 45 jaar te laat.

Jongens waren we 3 - slot




















Ik had zo'n beetje het plan om voor dit derde stukje (zie hier en hier voor de vorige twee) een paar dingen te bedenken die je als bibliotheek misschien zou kunnen aanbieden aan de jongens die je met behulp van de Wii ertoe hebt 'verleid' de bibliotheek te bezoeken. Omdat bibliothecarissen meestal niet zijn opgeleid in het werken met dergelijke groepen, dacht ik dat het misschien een idee zou kunnen zijn om dat te doen in samenwerking met jongerenwerkers. Aangezien de meeste jongens van een jaar of 15 niet staan te trappelen om eens een boek te lezen, leek het me verstandig om dat dan ook maar niet actief te propageren, maar te proberen ze te interesseren voor andere activiteiten, die zijdelings te maken hebben met lezen, zoals b.v. het zelf maken van een film of het volgen van een cursus of workshop over iets waar ze in geïnteresseerd zijn. Ik wil niet beweren dat zulke dingen altijd lukken. Waarschijnlijk is de kans dat het wat wordt zelfs maar erg klein. Maar ik zou toch het mooi vinden als de bibliotheek er een taak in zag en het in elk geval eens ergens probeerde.

Dit was mijn plan en nu is dat dan een beetje uitgevoerd, d.w.z. ik heb er iets over opgeschreven, maar niet meer met volle overtuiging. Dat komt omdat ik inmiddels besef dat mijn hele verhaal nergens op gebaseerd is. D.w.z. het is gebaseerd op mijn idee dat je van gamen minder leert dan van lezen. En, zoals uit een reactie van Edwin op mijn vorige stukje bleek, die overtuiging klopt niet en is in feite een vooroordeel. In zijn reactie staat o.a.

Games zijn veel meer dan ontspanning. Ze kunnen je ook leren relativeren en alles wat een boek verder doet, en dan ook nog non-lineair en interactief.

En als Edwin het zegt geloof ik het. Ik moet wel, want ik moet eerlijk bekennen dat ik van games niks weet, behalve wat ik er af en toe over lees en dat is niet veel. En het is nogal stom om een hele theorie te baseren op iets waar je geen verstand van hebt. Dus nu schaam ik me een beetje, maar er is niks meer aan te doen. En het was goed bedoeld, dat moeten jullie maar geloven. Maar het was tevens, dat besef ik, pure bluf. Waarvoor excuses.

Of het helemáál waar is dat je van games alles kunt leren wat je ook uit boeken kunt halen betwijfel ik nog. Helpen games je ook bij het leren begrijpen van lastige teksten en dragen ze bij aan je taalontwikkeling? Zo ja, dan zul je mij er niet meer over horen. D.w.z. tot ik zelf met het verschijnsel game heb kennis gemaakt, dus misschien wel nooit, want soms is een mens toch echt te oud om iets nieuws te leren, althans dat kun je zo voelen.

Wat ik er nu daarom alleen nog over wil zeggen is dat ik vind dat in elke bibliotheek in de buurt van de Wii een flinke afvalbak moet staan en dat die jongens er, zolang dat nodig is, keer op keer op gewezen moeten worden waar die bak voor bedoeld is. (En in die les moet dan bij voorkeur een paar keer het woord 'respect' gebruikt worden.) O ja, en ik vind ook dat liefst iedere bibliothecaris, maar toch tenminste elke bibliothecaris die iets met pubers te maken heeft, In een adem uit..., het geheim van het lezen van Pennac zou moeten lezen.


Foto hier gevonden.

zaterdag 13 februari 2010

Jongens waren we 2


















Mijn stukje van een paar dagen geleden, over een bibliotheek in een middelgrote stad, overkwam me eigenlijk een beetje. Toen ik zat te praten en thee te drinken met mijn collega uit die stad, dacht ik natuurlijk helemaal niet aan een blogstukje (stel je voor). Maar toen ik na onze ontmoeting thuiskwam, liep ik meteen door naar de computer om er iets over op te schrijven. In de bus op weg naar huis was het me duidelijk geworden: dit is iets belangrijks of zou dat kunnen zijn of zou dat horen te zijn. Hoe of wat wist ik nog niet, alleen dát het dat was.

Toen ik schreef dat die jongens Marokkanen waren heb ik natuurlijk wel even nagedacht. Schrijf ik dat op of niet? Doet het ertoe? Kan ik niet beter gewoon 'jongens' schrijven? Is het racistisch? Is het PVV? Maar ik wist het eigenlijk meteen: hier doet het er toe, dus hier hoort het te staan.

En waarom doet het er dan toe? Zouden het geen Nederlandse jongens kunnen zijn? Ja, dat zou elders zeker kunnen en ik maak me geen illusies over de chipszakjes en colablikjes die Nederlandse jongens in sommige bibliotheken achterlaten en over het geluid dat ze produceren bij het spelen op de voor hen opgestelde Wii of ander spelcomputer. Maar hier, in de middelgrote stad waar mijn gesprekspartner werkt, zijn het toevallig Marokkaanse jongens. Ook weer niet zo heel erg toevallig als je zou weten welke stad het is, want daar wonen nogal wat Marokkanen. Maar er wonen ook Turken en Surinamers en Nederlanders en ook meisjes, dus het is toch ook wel weer een beetje de vraag waarom het net de Marokkaanse jongens zijn die de Wii als eerste ontdekt hebben. Want daar zal het misschien wel aan liggen: zij waren er het eerst bij en nu komen die andere groepen er niet meer aan te pas. Of misschien willen die wel helemaal niet op de Wii spelen, dat kan ook, dat weet ik natuurlijk niet.

Maar het feit ligt er dat wij hier een bibliotheek hebben én een groep Marokkaanse jongens die daar naar binnengaat. Is dat niet een beetje bijzonder? Ik vind eigenlijk van wel. En nu komt wat ik met mijn term 'zwaktebod' bedoelde. Edwin zei in een reactie dat we het daar al eerder over gehad hebben, met de naaimachines. Dat is zo, maar ik geloof dat het hier toch anders ligt. Het zwakke hier vind ik dat de bibliotheek die jongens leuk laat spelen op de Wii, maar verder niks doet. Daarom ben ik het helemaal eens met de opmerking van mijn gesprekspartner dat de bibliotheek op die manier op een buurthuis lijkt.

Een buurthuis dat Marokkaanse jongens iets aanbiedt waar ze zich mee vermaken doet goed werk. Over Marokkaanse jongens die zich met andere dingen vermaken hoef ik het niet te hebben. Een zichzelf respecterend buurthuis zal misschien nog iets méér doen dan ze onderdak bieden, dat weet ik niet, want ik weet niets van buurthuizen. Maar ook als ze die jongens na schooltijd alleen wat gezelligheid bieden doen ze iets zinvols lijkt mij. Dat geldt 'op zich' ook voor een bibliotheek, maar een zichzelf respecterende bibliotheek zal, vind ik, in ieder geval wél meer moeten doen. De bibliotheek heeft een andere taak dan het buurthuis. Wat precies de taak van de bibliotheek is weet misschien niemand meer, maar die taak heeft in elk geval (hoop ik althans) nog iets te maken met lezen, zowel van literatuur als van informatieve boeken en andere bronnen.

Ik weet dat er mensen zijn die het spelen van games net zoiets vinden als het lezen van boeken. Twee jaar geleden dacht ik zelf nog: games in de bibliotheek, zijn ze nou helemáál gek geworden? Omdat dankzij de 23dingen (d.w.z. als bijverschijnsel ervan) enkele van mijn meningen wat zijn bijgesteld denk ik dat nu niet meer. Maar ik denk toch nog steeds níet dat gamen net zoiets is als lezen. Als het gaat om 'lezen ter ontspanning' wil ik het, eventueel, nog wel 'net zoiets' noemen. Maar er bestaat ook een ander soort lezen, dat weliswaar soms ook wel degelijk ontspannend kan zijn, maar dat daarnaast nog iets meer te bieden heeft: het lezen dat ons in staat stelt dingen te begrijpen of ons over dingen te verwonderen. Dát is het lezen waar het, in elk geval ten dele, volgens mij in de bibliotheek om zou moeten gaan. Het lezen waardoor je leert ook de niet-zo-eenvoudige zinnen te snappen, het lezen dat je laat zien hoe anderen leven, het lezen dat je een gevoel voor schoonheid geeft, het lezen dat je op andere gedachten brengt, het lezen dat je leert relativeren, het lezen dat je leert dat je niet alleen bent, het lezen dat je leert dat je wél alleen bent, het lezen dat je meer zicht op de wereld en op de ander en op jezelf geeft en daardoor verdraagzaamheid bevordert, enz. Kortom: het lezen dat heel misschien een klein beetje kan bijdragen aan een betere wereld.

Dát lezen zou de bibliotheek volgens mij moeten aanmoedigen en bevorderen. En als je dan een groep Marokkaanse jongens 'in huis' hebt, dan zou je moeten gaan nadenken over de vraag hoe je dat in dit specifieke geval zou kunnen aanpakken. Hoogstwaarschijnlijk kom je dan tot de conclusie dat je dat niet weet. En met de term 'zwaktebod' bedoelde ik: dat je je vervolgens bij die conclusie neerlegt. Dan gaat het je dus alleen nog om het bezoekersaantal: leuk dat we al die jongens binnenkrijgen, dan loopt de teller lekker door en houden we hopelijk onze subsidie. (Dit nog even afgezien van de vraag of je met teveel lawaaierige jongelui de mensen die rust zoeken niet uit de bibliotheek wegjaagt.)

Later meer (hoop ik).

Foto: nrc handelsblad, hier gevonden.

Men neme

Voor wie behoefte heeft aan een kwartiertje melancholie heb ik hier de ingrediënten. Het werkt denk ik het beste als je tussen de 55 en de 65 bent, maar ook anderen kunnen het proberen. Met veel dank aan Ton de Kruyff, die het filmpje over Dylan op het Witte Huis, dat me anders zeker ontgaan zou zijn, op zijn blog zette.





NACHTHEMEL

Onder de eenvormigheid der laatre jaren
Gebogen tot een warse en schriele deugd -
Hoe zou 't onluisterende hart bewaren
De jeugd, en de vervoering van de jeugd?

Totdat we een avond, onverwachts getogen
Door onvrede, of door 't sterrenlicht misschien,
Heengaan en als een knaap met heldere ogen
Den onuitsprekelijken hemel zien.


J.C. Bloem


donderdag 11 februari 2010

(Vlakbij) Rotterdam 2010-2























Een van mijn huisgenoten geeft les (economie en aanverwante vakken) op een ROC, dat vestigingen heeft in Rotterdam en omstreken en, zoals veel scholen in deze regio, vooral bezocht wordt door allochtone leerlingen. Omdat de boeken niet altijd aansluiten op het examenprogramma maakt mijn huisgenoot ook zelf lesmateriaal. Onlangs beklaagden leerlingen (uit havo-4) zich daarover: meneer, we begrijpen het niet, u schrijft veel te moeilijk. Waarop mijn huisgenoot reageerde met: dat komt omdat jullie nooit iets lezen, geen boeken, geen krant, zo leer je niet om een tekst te begrijpen. Waarop de leerlingen zeiden: ja hoor meneer, bij Nederlands lezen we wel. En wat lezen jullie daar dan? vroeg mijn huisgenoot. Hun antwoord was: De passievrucht, da's echt porno meneer!

Voor wie het boek niet kent: De passievrucht is geschreven door Karel Glastra van Loon en in mijn herinnering zeker geen onfatsoenlijk boek. Ik vermoed dat het een van de meest gelezen boekenlijstboeken is, zoals 20 jaar geleden De aanslag en in 'mijn tijd' Het bittere kruid.

Op zoek naar een plaatje van het boek vond ik bovenstaand omslag van de uitgave in de Lijsters, vermoedelijk de versie die bovengenoemde scholieren in hun bezit hebben. Ik snap nu iets meer van dat 'echt porno meneer', maar vraag me af of ze verder gekomen zijn dan de kaft...

woensdag 10 februari 2010

Jongens waren we













Vandaag sprak ik iemand die in een openbare bibliotheek in een middelgrote stad werkt. Mijn werk levert zelden zo'n ontmoeting op en dit was dan ook een privé-afspraak, maar dat verhinderde ons niet om uitgebreid over de bibliotheek te praten. Mijn gesprekspartner vertelde over die bibliotheek in die middelgrote stad: 's middags komen er vaak Marokkaanse jongens van een jaar of 15 op de Wii spelen. Ze laten chipszakjes en colablikjes achter en maken een hoop herrie. De mensen die naar de bibliotheek komen om rustig te lezen ergeren zich eraan, en die jagen we er misschien wel mee weg. Als je die jongens vraagt of ze hun troep willen opruimen zeggen ze 'natuurlijk ruimen we alles op!' maar als ze weg zijn ligt het er nog. Op deze manier wordt de bibliotheek toch een buurthuis? Een bibliotheek is er toch om het lezen te bevorderen? Maar het wordt vooral belangrijk gevonden dat we zoveel mogelijk bezoekers binnenkrijgen. Nederlandse jongens zie je overigens nooit bij de Wii. Meisjes ook niet.

Ik was het eigenlijk wel eens met de gedachte dat de bibliotheek op deze manier op een buurthuis gaat lijken. Maar ik probeerde er een positieve draai aan te geven: is het dan de bedoeling om die jongens als ze eenmaal binnen zijn ook nog voor iets anders te interesseren? Waarop mijn gesprekspartner zei dat ik niet moest denken dat je die jongens ertoe zou kunnen bewegen een boek te lezen. Dat ze wel naar meisjes bellen die ze buiten zien lopen om te vragen of ze binnenkomen. En dat die meisjes dat dan doen en dat dat nog meer herrie en rotzooi oplevert. En dat er soms ook wel meisjes zijn die in de bibliotheek zitten te lezen en dat de jongens daarom als ze binnenkomen roepen: zijn de bibliotheeksletjes er vandaag? En dat die meisjes dan zeggen: jullie moeten toch óók voor school een boek lezen? En dat die jongens dan reageren met: ja, we zijn daar gek.

En toen begon ik een beetje te filosoferen over wat je zou kunnen doen om hier nog iets goeds uit te halen. Daar kwam ik niet erg ver mee. Ik haalde nog wel het verhaal van Edwin aan, over die jongetjes die op de game-middag eigenlijk ook wel graag wilden tekenen. Die waren wel een stuk jonger (én uit de provincie...) maar volgens mij zit daar toch de sleutel. D.w.z.: als er een sleutel ís, wat me de vraag lijkt, maar wel een belangrijke vraag. Mijn gesprekspartner en ik kwamen in elk geval tot de conclusie dat de bibliotheek niet meer weet wat ze wil en waar ze heen moet.

Over die positieve draai, die me nog niet loslaat, later misschien meer.

Foto nrc handelsblad/Rien Zilvold, hier gevonden.

maandag 8 februari 2010

Groot & dood























Op BoekenDingen las ik over de tocht die de directeur van het Letterkundig Museum maakt langs de graven van de 100 schrijvers die in het museum, dat binnenkort heropend wordt, het 'Pantheon' gaan vormen, de nieuwe vaste opstelling. Ik klikte door naar het filmpje en naar de pagina van het LM over deze tocht, en zag de directeur, Aad Meinderts, in Jeruzalem een witte roos leggen op het graf van Jacob Israël de Haan. De pelgrimstocht duurt 30 dagen en voert uiteraard vooral door Nederland en België maar gaat b.v. ook naar Ghana.

En nu vraag ik me al een paar dagen af wat ik hier eigenlijk van vind. Mijn eerste indruk, calvinistisch opgevoed en zuinig van aard als ik ben, was: wat een flauwekul. Maar toen ik het filmpje uit Jeruzalem had gezien dacht ik: toch wel mooi eigenlijk, zo'n eerbiedige benadering van literatuur en schrijvers. Maar ja, vliegen is slecht voor het milieu en wat kost dat allemaal en wie betaalt het? Maar het is natuurlijk ook reclame voor het LM en reclame kost nu eenmaal geld. En als je zo'n museum hebt wil je toch dat er mensen komen kijken. Dus zo'n literaire reis door Nederland en België is misschien zo gek nog niet. Maar Israël? En Ghana? Een huisgenoot vroeg zich af: hadden ze daar dan niet door een plaatselijke schrijver die roos op het graf kunnen laten leggen? En ik dacht: is het hele gedoe niet teveel een egotrip van die directeur? Maar het kost toch hem ook heel veel moeite en dat bewonder ik dan wel weer. En de foto's vind ik best mooi en indrukwekkend.

Dus ik kom er niet uit. Heb ik nou een kruideniersmentaliteit of niet? En is het erg om een kruideniersmentaliteit te hebben? Maar gelukkig maakt het niks uit wat ik er van vind en ik blijf het gewoon volgen nu het er is.

En als ik nu eens van al die 100 schrijvers een citaat opzoek en op twitcit zet? Zou dat lukken? Mijn eigen pelgrimsreisje waar ik alleen maar voor naar de bibliotheek hoef? Hm, misschien niet eens zo'n slecht idee. Mijn relatie met de bibliotheek kan tenslotte wel wat opfrissing gebruiken... Ik zal er eens over nadenken.

Op de foto de roos op het graf van Theo Thijssen. Het monument is gemaakt door Jan Wolkers.

Meer foto's hier. Filmpjes hier.

zondag 7 februari 2010

Voor Katharina























Gerard Dou (1613-1675), Oude vrouw lezend in een lectionarium (zogenaamd portret van Rembrandts moeder), 1630
























Rembrandt van Rijn (1606-1669), De profetes Anna (zogenaamd portret van Rembrandts moeder), 1631


Ik las dat dit dezelfde vrouw is als die van Lievens. En dat kun je ook wel zien.


Afbeeldingen hier gevonden.

zaterdag 6 februari 2010

Levenslang lezen























Jan Lievens (1607-1674), Lezende oude vrouw, z.j.

Ik zat wat in mijn eigen stukjes te lezen en zag toen onder een post van een maand geleden staan 'Volgende keer meer.' Hm, weer een van die losse eindjes van dit weblog die nog 's netjes afgehecht moeten worden. (Zoals ook nog ergens de belofte staat dat ik niet met dit blog zal stoppen voor ik een stukje geschreven heb over Binnen de huid. Niemand weet het waarschijnlijk nog, maar toch.) En omdat ik al enkele weken last heb van gebrek aan bloginspiratie, lijkt zo'n los eindje een mooi aanknopingspunt. Maar waar wilde ik het toen eigenlijk die 'volgende keer' over gaan hebben? Het staat me vaag bij dat het iets moest worden over bibliotheek en literatuur en dat ik hoopte er iets 'bevlogens' van te kunnen maken. Maar van enige bevlogenheid m.b.t. de bibliotheek is momenteel helaas geen sprake. Misschien kan die terugkomen als ik probeer te reconstrueren wat ik in gedachten had? Zowel voor het stukje als voor mezelf zou dat wel fijn zijn.

Laat ik het toch maar anders doen. Bevlogenheid laat zich niet afdwingen vrees ik, dus ik kan het beter hebben over iets waar het ook niet voor nodig is, maar dat in alle nuchterheid gewoon een feit is. Ik schreef in bovengenoemd stukje dat ik vind dat de bibliotheek een plaats moet zijn waar kinderen kunnen ontdekken wat lezen is en wat lezen voor hen kan betekenen. Zonder de bibliotheek kunnen ze dat ook wel uitvinden, maar juist de bibliotheek, waar ook boeken zijn (althans dat zou moeten vind ik) die in de winkel niet meer te koop zijn, waar mensen werken die (althans dat zou moeten vind ik) veel van die boeken zelf gelezen hebben, waar (althans dat zou moeten vind ik) wordt voorgelezen, waar je zelf mag voorlezen, waar toneel wordt gespeeld, waar je zelf toneel mag spelen, waar je liedjes leert zingen en verhalen schrijven, waar je tekeningen maakt en soms geschminkt kunt worden of je kunt verkleden als Pippi Langkous, en waar je natuurlijk ook gewoon lekker in een zachte stoel in een stil hoekje kunt zitten lezen met een literair knuffeldier in je armen, kortom waar duidelijk wordt dat boeken en literatuur fantastisch zijn, juist de bibliotheek waar dit allemaal kan en gebeurt of zou kunnen gebeuren, is dé plaats voor die ontdekkingsreis.

Ik denk dus dat kinderen voor een goede, enthousiast makende kennismaking met boeken de bibliotheek nodig hebben. Maar dat had ik al gezegd. Er is nóg een groep die de bibliotheek nodig heeft voor zijn leesplezier: de lezers van groteletterboeken. Als het je niet meer lukt boeken in gewone druk te lezen, ben je ineens (weer) op de bibliotheek aangewezen. De bibliotheek waar je als kind en later misschien met je kinderen kwam, maar die je daarna misschien jaren niet meer bezocht hebt omdat je je boeken liever kocht, komt dan ineens weer in beeld. Of je kwam er nog steeds, omdat je veel leest en niet alles kunt kopen. Hoe het ook zij: als je wilt blijven lezen als gewone letters te klein voor je zijn geworden, ben je ineens, en misschien tot je schrik, afhankelijk van de bibliotheek. Groteletterboeken kún je eventueel wel zelf kopen, maar ze zijn duur en nemen veel plaats in, dus slechts een enkeling (of misschien wel niemand) doet dat. De bibliotheek doet het gelukkig wel (en zou het naar mijn idee op ruimere schaal moeten doen).

Voor groepen die uit zichzelf niet op het idee komen erheen te gaan spaart de bibliotheek kosten noch moeite om ze daar toch toe te 'verleiden': Bruna-klanten lokken we met tafels vol bestsellers, baby's krijgen hun eigen boekstart-plekje inclusief aankleedkussen, pubers een 'jongerenzone'. En wat hebben we de groteletterlezers te bieden? Een kast met groteletterboeken, meestal ergens in een hoek. Want groteletterlezers hóeven we niet meer te verleiden, die komen toch wel. Of niet, en dat is eigenlijk wel zo handig, want ze lopen vaak met van die irritante rollators (om over de scootmobiels nog maar te zwijgen) en ze praten hard omdat ze doof zijn en soms kunnen ze niet met de computer overweg of met het scanapparaat. En sexy zijn ze al helemaal niet, dus voor ons imago zijn ze ook niet gunstig.

Da's allemaal waar. (Voor het gemak ga ik er nu even van uit dat GLB-lezers oud zijn. Dat is natuurlijk niet altijd zo, maar meestal wel.) Maar aangezien het een groep is die om te kunnen lezen op de bibliotheek is aangewezen én aangezien de bibliotheek pretendeert er te zijn 'voor iedereen', ligt hier toch een taak. Of we er nou zin in hebben of niet. We horen er minimaal voor te zorgen dat die GLB er in voldoende mate zijn en dat de leners er naartoe kunnen met hun rollator. En als mensen niet meer zelf kunnen komen, horen we ze de mogelijkheid te bieden boeken te bestellen die vervolgens thuisbezorgd worden. En als ze in een zorginstelling wonen moeten we er als het even kan voor zorgen dat daar een bibliotheekje is. En als in een wijk veel ouderen wonen zou daar een steunpunt moeten zijn. Enz.

Tot zover hoef je niet bevlogen te zijn, alleen na te denken over wat eerlijk en rechtvaardig is en wat 'de bibliotheek is er voor iedereen' zou moeten inhouden. Maar een beetje bevlogenheid zou natuurlijk wel iets kunnen toevoegen. Ik noem maar wat: maak die GLB-hoek eens wat aantrekkelijker, zet er een tafel met een paar stoelen die voor oude mensen lekker zitten (probeer je eventueel te laten sponsoren door een bedrijf dat zulke stoelen maakt), ga er af en toe heen met koffie en koekjes, praat met de mensen over hun wensen, nodig eens een schrijver uit van wie veel GLB worden uitgeleend, bekijk of een GLB-leeskring wat zou kunnen zijn.

Organiseer ook eens wat in een zorginstelling: een lezing van een geliefde schrijver, voorlezen aan het bed door vrijwilligers, een leesclubje. Maak het huisbibliotheekje daar eens wat gezelliger. Het kan allemaal en het wordt vast allemaal ook wel ergens gedaan, maar het kost tijd en geld en inzet dat moeten we ervoor (over) hebben.

En wat we als bibliotheek volgens mij ook moeten doen: praten met de makers van e-readers, om die te vertellen hoe hun product meer voor de GLB-lezers zou kunnen betekenen. Maar daar schreef ik ook al eerder over.


Afbeelding hier gevonden.

woensdag 3 februari 2010

Rotterdam 2010




Gisteravond toen ik uit mijn werk kwam stapte ik in de tram, tegelijk met twee meisjes van een jaar of 16. Ik had wel door dat ze bij elkaar hoorden, maar het ene meisje liep achter me en toen het andere meisje ging zitten schoof ik gauw op de lege plaats naast haar. Ik had tenslotte de hele dag gelopen en had daarom zere voeten en ik zag zo gauw geen ander plekje... Maar het meisje naast me zei: 'Sorry mevrouw, daar zat zij al'. Ze zei het met een vriendelijk stemmetje en glimlachte er volgens mij zelfs bij. Ik zei iets als 'Nou, dat zie ik dan toch niet' maar ruimde toch maar het veld. Er was nog één plekje over in de tram, dat bezet werd door de rugzak van een chagrijnig kijkende, onderuit hangende jongen. Ik waag het niet altijd, maar nu was ik in de stemming om het wel te doen en vroeg of ik er mocht zitten. Het mocht. En daar zat ik me toen af te vragen of ik nou kwaad moest zijn of moest lachen en deed het allebei (onzichtbaar natuurlijk). De combinatie onbeschoft maar tegelijk toch erg beleefd, verschafte me beslist enig genoegen.

Thuisgekomen vertelde ik wat me was overkomen en een van m'n huisgenoten zei: 'Die kinderen denken dat de wereld van hen is.' Dat zal het wel zijn, en helemaal ongelijk kun je ze eigenlijk niet geven. 's Avonds moest ik ineens aan die campagne van een paar jaar geleden denken, waarin voorkwam 'optiefen, ouwe graftak'. Daar moest ik toen nog zo om lachen... Het bleek nog terug te vinden ook (natuurlijk) en het speelt zich warempel af in de tram, wat ik niet meer wist.


(Ik heb zojuist de stukjes over dit soort kleine belevenissen voorzien van het label 'observaties'.)