Games had je in mijn tijd (jaren '60) nog niet, dus voor het besef van goed en kwaad waren we op de bijbel aangewezen, wat ook best aardig werkte. Maar toen kwam Jan Cremer met zijn boek Ik Jan Cremer en kreeg het kwaad een eigentijds gezicht. Ik herinner me nog hoe onze leraar Duits, een om zijn driftbuien beruchte man, tegen het boek tekeer ging. Ik denk dat ik in de tweede klas (van de middelbare school) zat en misschien was dat de reden waarom deze veroordeling niet teweeg bracht dat ik het boek juist graag wilde lezen. Een jaar later was dat misschien heel anders uitgepakt. Het is er in elk geval nooit van gekomen en ik zou het nu nog steeds niet gelezen hebben als ik niet een collega had die in de ongeveer 10 jaar dat ik hem ken af en toe vroeg: heb je nou Ik Jan Cremer al gelezen? Deze collega, die een jaar ouder is dan ik (wat misschien dus alles verklaart t.a.v. dit boek) vindt het boek nl. heel goed.Deze collega was een paar jaar geleden geruime tijd ziek en omdat ik toen net Postkantoor van Charles Bukowski gelezen had (dankzij een bericht over Bukowski op ZB Digitaal waar ik om feministische redenen niet naar verwijs, zoek eventueel zelf maar) en dat erg goed vond, stuurde ik het hem, omdat ik dacht dat het misschien wel enige overeenkomst vertoonde met Ik Jan Cremer. Toen mijn collega weer terug was zei hij over Postkantoor: ik vond het wel goed, maar Ik Jan Cremer is veel beter.
Toen ik onlangs Onderweg van Kerouac gelezen had, vertelde ik dat aan deze zelfde collega (die niet meer wist of hij het gelezen had maar wel meteen de namen van de hoofdpersonen kon noemen) en toen kwamen we natuurlijk weer op Ik Jan Cremer. En toen zei mijn collega: ik breng het morgen voor je mee en dan moet je het in een maand uit hebben. De volgende dag bracht hij het inderdaad mee, en zei er bij: kijk maar hoe lang je erover doet. En toen ik er eenmaal in bezig was en hem vertelde dat ik het niet zo geweldig vond, zei hij: je hoeft het voor mij niet uit te lezen hoor.
Ik heb het toch maar uitgelezen en heb er bijna twee weken over gedaan. Ten dele deed ik het voor mijn collega, ten dele omdat ik er nu toch eenmaal in bezig was, ten dele omdat ik me afvroeg wat dat boek nu zo ongelooflijk populair heeft gemaakt. Het exemplaar dat ik te leen heb is uit 1996 en de 47e druk. Inmiddels zijn er ongetwijfeld nog diverse drukken gevolgd en een paar jaar geleden is het weer met een nieuwe omslag uitgebracht, ter gelegenheid van het verschijnen van Ik Jan Cremer 3. In het jaar van verschijnen, 1964, beleefde het al 16 drukken. Terecht staat er dan ook 'de onverbiddelijke BESTSELLER' op de omslag.
En hoe beviel het boek me? Matig, zeer matig. Het gaat over een jongen die vlak voor WO II geboren wordt in een industriestad in het oosten des lands. Zijn moeder is Hongaarse maar wordt aangezien voor een Duitse, zijn vader is er vandoor. Hij groeit op in pleeggezinnen en tehuizen, loopt weg, wordt van school gestuurd, gaat in het leger en er ook weer uit, idem voor het Vreemdelingenlegioen, begint op 13-jarige leeftijd, als de buurvrouw hem 's morgensvroeg als haar man naar zijn werk is in haar bed uitnodigt, aan zijn ontelbare relaties met vrouwen, gaat naar de kunstacademie en wordt ook daar weggestuurd, wordt toch een succesvol en beroemd schilder, leidt een leven van drank, drugs, seks en geweld (of de uitdrukking 'geld, drank en lekkere wijven' van Cremer is weet ik niet zeker, maar ik vermoed van wel) en schrijft het allemaal op, voorzien van de nodige krachttermen. Regelmatig terugkerende elementen zijn ook de eenzaamheid en het soms hele nachten huilen.
Gedeeltelijk zal het leven van de Jan Cremer uit het boek wel samenvallen met de 'echte' Jan Cremer, maar ik vermoed dat het boek er enkele flinke scheppen bovenop gooit. Of een boek al dan niet de werkelijkheid beschrijft hoor je je bij literatuur eigenlijk niet af te vragen, maar de lezers van Ik Jan Cremer deden dat natuurlijk toch en zo werd de auteur een mythe en dat was waarschijnlijk precies waar hij op uit was. Lees hierover desgewenst de bespreking van Pieter Steinz in nrc boeken.
Als fenomeen is dit boek beslist bijzonder. Dat het in het overwegend kerkelijke en fatsoenlijke Nederland van 1964 nogal wat opschudding teweeg bracht begrijp ik. Ik vraag me af of je het in elke openbare bibliotheek kon lenen (in de christelijke ongetwijfeld niet).
Als tijdsbeeld heeft het zeker iets, maar voor de stijl hoef je het niet te lezen en ik vond het eigenlijk al snel saai. Postkantoor vond ik veel beter.
Mijn collega vertelde me nog dit: mijn vader had het boek gekocht omdat het zo in de belangstelling stond. Toen hij er wat in gelezen had verstopte hij het op zolder in een commode. Daar vond ik het en ik ging er stiekem steeds een stukje in lezen. De volgende dag vertelde ik dat dan na op school. De andere jongens waren zeer geïnteresseerd.
Dat een boek op die manier een onuitwisbare indruk achterlaat begrijp ik volkomen. Maar voor mij kwam de kennismaking 45 jaar te laat.
