WELKOM OP MIJN WEBLOG

Dit blog is in de loop der jaren veranderd. Ooit ging het vooral over de bibliotheek, nu gaat het meer over lezen en taal. (Wie denkt: de bibliotheek gaat toch óók over lezen en taal, ziet dat anders dan ik.) Ooit werd het elke dag bijgehouden, nu minder regelmatig. Wat hetzelfde gebleven is: opmerkingen zijn van harte welkom.

Posts tonen met het label Paul Auster. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Paul Auster. Alle posts tonen

vrijdag 18 januari 2013

Wat ik las 74

Man in het duister van Paul Auster is een roman maar bevat ook een verhaal en een essay en misschien is het ook nog te beschouwen als een brief. Dit is typisch Auster, voor zover ik hem inmiddels ken. Een caleidoscopisch boek, met zijpaden en verschillende lagen, een boek waarvan je niet goed weet wat nou eigenlijk de kern is. Of misschien zijn er meer kernen. Of misschien is het een soort ui die je kunt blijven afpellen om uiteindelijk niets over te houden, wat niet geeft omdat de schillen interessant waren.

Hoofdpersoon van het boek is August Brill. Of is hij alleen de verteller? Daar heb je het al. Misschien moet je degene die in het boek nauwelijks voorkomt maar die wel de reden of de oorzaak of de achtergrond, of hoe ik het moet noemen, van het boek is, wel de hoofdpersoon noemen. Misschien is er geen hoofdpersoon. (Heeft een boek altijd een hoofdpersoon? Daar heb ik nog nooit over nagedacht eerlijk gezegd.)

Het is nacht en August Brill ligt wakker. Hij is 72, was vroeger literatuurcriticus en woont bij zijn dochter. Zijn vrouw is nog niet zo lang geleden gestorven en daarna heeft Brill een auto-ongeluk gehad waardoor hij nu met een kruk moet lopen. Zijn dochter Miriam heeft hem toen hij uit het ziekenhuis kwam gevraagd bij haar te komen wonen. Zelf is ze ook alleen, na een scheiding. Ook Brills kleindochter en dochter van Miriam, Katya, woont in dat huis sinds de dood van haar vriend. Miriam is ergens in de veertig, Katya begin twintig (precies weet ik het niet meer). Het is dus een huis vol verdriet en door dat verdriet kan August ook deze nacht niet slapen. Hij probeert zijn gedachten af te leiden door een verhaal te bedenken. Dat verhaal sleept je als lezer zo mee dat je vergeet dat je eigenlijk over Brill aan het lezen bent. Ineens kom je dan weer bij hem terecht en denkt: o ja.

Het verhaal dat Brill zichzelf vertelt heeft een eigen hoofdpersoon: Owen Brick, een goochelaar uit New York, die op een ochtend wakker wordt in een kuil in een hem onbekend gebied. Hij blijkt te zijn terechtgekomen in een 'parallelle' wereld, het is wel Amerika en (zo hoort hij later) Bush is de president, maar van een oorlog in Irak is niets bekend. Er is een burgeroorlog aan de gang en een deel van de Amerikaanse staten heeft zich afgescheiden. Er zijn miljoenen doden gevallen. Brick blijkt uitgekozen te zijn om aan deze toestand een einde te maken. Hem wordt verteld dat alles de schuld is van de man die het allemaal in zijn hoofd heeft zitten. Als die man wordt vermoord zal de oorlog voorbij zijn. Brick zal dat moeten doen. Hij verzet zich ertegen, maar lijkt uiteindelijk toch toe te geven omdat hij en zijn vrouw, als hij weer terug is in zijn oude leven, met de dood bedreigd worden. Maar voor hij de man die hij moet vermoorden, en die August Brill heet, bereikt heeft komt hij om bij een ontploffing. Hij is dan in het huis van een vrouw die een onbereikbare jeugdliefde van hem was en die in beide werelden aanwezig blijkt te zijn. Dit klinkt misschien allemaal wat vreemd en dat is het ook wel, maar als verhaal vond ik het voldoende overtuigend.

Soms raakt Brill door lichamelijke ongemakken uit zijn verhaal en denkt hij aan andere dingen. Bijvoorbeeld aan de films die hij met Katya bekeken heeft. Katya zat op de filmacademie maar is daar mee gestopt na de dood van haar vriend. Samen met haar opa bekijkt ze elke dag een aantal films, om de beelden in hun hoofd niet te hoeven zien. Over die films heeft Katya een theorie die ze haar opa verteld heeft (dit is wat ik een essay zou willen noemen) en waar hij nu aan terugdenkt. Het gaat over het belang van voorwerpen in films en Brill bedenkt zelf een nieuw voorbeeld daarvan, dat hij aan Katya wil vertellen.  Het gaat over een horloge in een Japanse film. In die film komen twee uitspraken voor, die misschien als de kern van het boek te beschouwen zijn. Als het een kern heeft.

Er volgt een lange stilte, dan kijkt het meisje haar schoonzus aan en zegt: 'Het leven is één grote teleurstelling, hè?' Noriko kijkt het meisje aan, en met een afwezige blik in haar ogen antwoordt ze: 'Ja, dat is het.'

Later op die dag geeft de schoonvader van Noriko haar het horloge van haar overleden schoonmoeder. Het meisje is de weduwe van zijn zoon en hij vindt dat ze moet hertrouwen.

'Ik wil dat je gelukkig wordt,' zegt de oude man.
Een kort zinnetje en Noriko stort in, verpletterd door het gewicht van haar eigen leven. 'Ik wil dat je gelukkig wordt.'

Later in het boek denkt Brill weer aan dat 'Het leven is één grote teleurstelling' en 'Ik wil dat je gelukkig wordt.' Ik weet niet meer of hij het denkt in verband met Miriam of met Katya, maar dat doet er ook niet toe, hij wil het ongetwijfeld voor allebei.

De vraag is dan: kan dat? Dat het leven enerzijds een grote teleurstelling is maar dat je desondanks gelukkig wordt? Het boek beantwoordt die vraag niet. Je zou kunnen denken dat Auster wil zeggen: nee, het kan niet. Want wat je nog meer te lezen krijgt is zó verschrikkelijk dat het alle hoop op geluk de bodem lijkt in te slaan. Ik vertel niet wat het is omdat wie het boek nog gaat lezen niet al aan het begin moet weten wat je pas aan het einde te horen krijgt. Als lezer word je er hevig door geschokt en je begrijpt dat het voor de betrokkenen in het boek noodzakelijk is om hun gedachten zoveel mogelijk op iets anders te richten, bijvoorbeeld op verhalen en films, om door te kunnen leven.

In de nacht dat alles zich afspeelt vindt ook een gesprek plaats tussen Brill en Katya. Katya kan evenmin slapen en hoort lawaai in de kamer van haar opa, die iets laat vallen, en komt naar hem toe. Ze komt naast hem in bed liggen en hij vertelt haar over zijn huwelijk met Sonia, van wie hij gescheiden was maar met wie hij later weer is gaan samenwonen en van wie hij veel hield, en die nu dood is. Uiteindelijk valt Katya in slaap. Als het ochtend is komt Miriam de kamer binnen. August stelt voor om ergens te gaan ontbijten, met roerei met spek, wentelteefjes en en pannenkoeken.

Dat plan voor een ontbijt leek me een vorm van hoop. Dat het misschien tóch kan, in deze wereld gelukkig worden. Een bescheiden hoop, want hoe gelukkig word je van pannenkoeken, maar toch een klein stukje hoop.

Dan is er ook nog het boek dat Miriam aan het schrijven is. Dat is gewijd aan een dichteres die Brill niet goed vind op een fantastische regel na ('beter dan alles wat ik ooit heb gelezen').

'Welke?' vraagt ze, en ze draait zich om en kijkt me aan.
'"Terwijl de dwaze wereld doordraait."'
Miriam grijnst opnieuw breed. 'Ik wist het,' zegt ze. 'Toen ik dat citaat opschreef, zei ik tegen mezelf: "Dat vindt hij mooi. Het had voor hem geschreven kunnen zijn."'
'De dwaze wereld draait door, Miriam.'
Met mijn kruk in mijn hand loopt ze terug naar het bed en komt naast me zitten. 'Ja pap,' Zegt ze, terwijl ze een bezorgde blik op haar dochter werpt, 'de dwaze wereld draait door.'

Zo eindigt het boek. En daarmee mijn verslag. Op een ding na. Ik dacht dat je het boek misschien ook als brief kunt beschouwen. Een brief aan de familie Grossman, aan wie het is opgedragen, ter herinnering aan hun gesneuvelde zoon Uri. Eerder, toen ik het boek voor de eerste keer gelezen had, vroeg ik me af hoe Auster juist dit boek waar zoveel ellende in voorkomt als troostboek kon bedoelen. Ik heb het nu twee keer gelezen en begin er misschien iets van te vermoeden. Ik hoop dat dat uit het bovenstaande een beetje gebleken is.

Ik vond het het meest indrukwekkende boek dat ik tot nu toe van Auster las.

dinsdag 13 november 2012

Troost op de plank 2
















Gisteren schreef ik over een plankje met troostboeken en dat ik niet wist waarmee ik dat zou kunnen vullen. Ik dacht aan boeken die mooi maar niet al te somber zijn maar ook niet al te vrolijk, en kwam er niet erg uit. Jeugdboeken, zoals De brief voor de koning, zijn misschien het geschiktst, omdat die meestal positief zijn en je je er ook niet zo voor hoeft te concentreren. Of de paar beste van Maarten 't Hart. Zoiets misschien.

En toen ik dat had opgeschreven ging ik stofzuigen en naar AH en koken en 's avonds las ik het laatste stuk van Man in het duister van Paul Auster. Dat is een droevig en aangrijpend boek, vergelijkbaar met In ongenade van Coetzee. Toen ik het uithad begon ik weer opnieuw, dat had ik halverwege het boek al besloten. Misschien had ik dat met In ongenade ook moeten doen, het meteen herlezen. Later durfde ik het niet meer, zowel omdat ik bang was dat het me een tweede keer zou tegenvallen als omdat ik opzag tegen de somberheid ervan.

Toen ik opnieuw in Man in het duister begon zag ik ook de opdracht weer en besefte ik ineens dat het een troostboek was, in elk geval dat het zo bedoeld moet zijn. En dat vond ik, zacht uitgedrukt, nogal verwarrend. De opdracht van het boek luidt:

Voor David Grossman,
   zijn vrouw Michal,
   zijn zoon Jonathan,
   zijn dochter Ruthi,
en ter nagedachtenis aan Uri

Voor wie dit misschien niet weet: David Grossman is een Israëlische schrijver en zijn zoon Uri sneuvelde als dienstplichtig soldaat in de oorlog met Libanon in 2006. Uri was toen twintig.

In het boek van Auster gaat ook een jonge man dood. Geen soldaat, maar een Amerikaanse vrachtwagenchauffeur in Irak. En er worden in het boek meer somber stemmende gebeurtenissen verteld. Het bestaat voor een deel uit een gesprek tussen een grootvader en een kleindochter. De kleindochter was de vriendin van de vrachtwagenchauffeur.

'Waarom is het leven zo klote, opa?'
'Omdat het gewoon klote ís. Meer kan ik er niet van maken.'

Over  het boek zal ik later iets proberen op te schrijven. Wat me nu bezighoudt is de vraag waarom Auster juist dit zo droevige en dramatische boek aan de familie Grossman opdraagt. Hij zal daar ongetwijfeld over hebben nagedacht. Misschien heeft hij het boek zelfs met hen in gedachten geschreven. In eerste instantie zou ik denken: die mensen hebben zelf al ellende genoeg, wat hebben ze eraan om over de ellende van anderen te lezen? Maar Auster ziet dat blijkbaar anders. Zou hij willen zeggen dat het leven weliswaar klote is maar dat dat voor iedereen geldt, zij het misschien niet in gelijke mate, en dat dát een troost is? Of in elk geval: dat wie dat beseft zich minder alleen voelt in zijn verdriet? Of beter gezegd misschien: wel alleen maar niet meer de enige?

Misschien vergis ik me dus door te denken dat een troostboek een beetje luchtig moet zijn. Vreemd dat ik dat net gisteren moest ontdekken. 'Alles hangt met alles samen' is een van de thema's van Auster, voor zover ik hem begrijp. Ook daar moest ik aan denken.

Op de foto zie je links David Grossman en rechts Paul Auster.

Foto hier gevonden.

woensdag 31 oktober 2012

Wat ik las 65

Via het Interbibliothecair Leenverkeer kon ik een exemplaar van De muziek van het toeval van Paul Auster lenen. Ik las het en vraag me nu af: wat kan ik erover zeggen? Ik voel me weer net zo onzeker als bij bijna alle  andere boeken van Auster die ik las. Wat wil Auster met dit boek  duidelijk maken? Wíl hij er wel iets mee duidelijk maken?

Toen ik de titel De muziek van het toeval zag dacht ik meteen: dat moet ik lezen! Ik had na een aantal boeken van Auster het gevoel gekregen dat toeval een belangrijk thema is in zijn werk. Dus dit leek mij het boek dat dat idee zou kunnen bevestigen. Ik keek niet waar het over ging en dacht dat het een soort essay zou zijn. Maar dat bleek niet zo te zijn, het is een roman. Op de eerste pagina staat dit:

Het kwam allemaal neer op een kwestie van aaneenschakeling, de loop der gebeurtenissen. Als het de advocaat geen zes maanden had gekost om hem op te sporen, zou hij nooit onderweg zijn geweest op de dag dat hij Jack Pozzi ontmoette en zodoende zouden geen van de dingen die voortvloeiden uit deze ontmoeting ooit zijn gebeurd.

Maar die dingen gebeuren wel en worden in het boek verteld. Jim Nashe heeft een flinke erfenis gekregen. Zijn vrouw is kort daarvoor bij hem weggegaan en hij heeft hun dochtertje van twee toen ondergebracht bij zijn zus. Hij geeft zijn baan als brandweerman op, koopt een Saab en begint aan een zwerftocht door Amerika. Als zijn geld geslonken is tot ruim 10.000 dollar beseft hij dat het einde van zijn zwervende bestaan nadert. Dan ontmoet hij Jack Pozzi. Pozzi loopt langs de kant van de weg en ziet eruit of hij in elkaar geslagen is, wat inderdaad zo is. Pozzi verdient zijn geld met pokeren en na een roofoverval tijdens een pokerpartij is hij slaags geraakt met andere pokeraars die hem als de oorzaak van de overval zagen.

Nashe ontfermt zich over Pozzi, neemt hem mee naar een hotel en koopt kleren voor hem. Pozzi vertelt dat hij een afspraak heeft voor een pokerwedstrijd die hij zeker verwacht te winnen, bij twee miljonairs, maar dat hij nu geen geld heeft om daarvoor in te zetten. Nashe besluit hem 10.000 dollar te geven, de winst zullen ze delen. Ze gaan naar de twee miljonairs. De mannen, voorheen accountant en optometrist, pokerden toen ze nog werkten elke vrijdagmiddag samen. Ze zijn zo rijk geworden door een winnend lot in de loterij. Ze kochten elke week samen een lot. De een is weduwnaar, de ander is door zijn vrouw verlaten en nu wonen ze samen op een groot landgoed.

De pokerpartij pakt anders uit dan Pozzi verwacht had en Nashe is al zijn geld kwijt. Nashe heeft ook zijn laatste geld nog ingezet, plus zijn auto, maar ook dat raken ze kwijt. De miljonairs, Flower en Stone, zeggen dat Nashe en Pozzi hun schuld kunnen terugverdienen door voor hen te werken. Ze hebben een grote hoeveelheid stenen, die ooit deel uitmaakten van een kasteel, laten verschepen uit Ierland en willen er een muur van laten bouwen op een open gedeelte van hun terrein, dat verder uit bos bestaat. Nashe en Pozzi kunnen een begin maken met die muur en zo hun schuld afbetalen.

Nashe en Pozzi tekenen een contract en krijgen een ruime caravan tot hun beschikking om in te wonen. Voor kleding, eten, drank en wat ze nog meer wensen wordt gezorgd. Een opzichter, Calvin Murks, geeft aanwijzingen en houdt hen in de gaten. Na vijftig dagen werken zullen ze hun speelschuld hebben afbetaald. Ze gaan aan het werk en ontwikkelen een soort dagelijkse routine. De muur vordert gestaag. Het is zwaar werk maar Nashe krijgt er een zeker plezier in. Pozzi is soms agressief en bedreigt Murks, die vervolgens gewapend met een pistool op het werk verschijnt. Nashe en Pozzi hebben al snel ontdekt dat het hele terrein door hekken omgeven is. Zij zijn dus in feite gevangenen.

Als de vijftig dagen voorbij zijn wil Pozzi een feestje geven en daar ook een vrouw bij uitnodigen. Dat wordt door Murks geregeld en Pozzi en het hoertje hebben het leuk samen. Nashe verzorgt een overvloedige maaltijd. Later blijkt dat ze weliswaar de pokerschuld hebben afgelost, maar dat er nieuwe schuld is ontstaan door het eten dat hun geleverd is en door de tijdschriften en het slotfeestje. Dat werd allemaal niet door het contract gedekt. Dus moeten ze nog langer doorwerken voor ze wegkunnen. Nashe zegt dat hij het verder wel alleen voor zijn rekening zal nemen en dat Pozzi kan ontsnappen als ze een gat onder het hek graven. Dat doen ze en Pozzi gaat ervandoor, maar ligt de volgende dag zwaar gewond en bewusteloos voor de caravan. Murks en zijn schoonzoon brengen hem naar het ziekenhuis, maar Nashe verdenkt hen ervan dat zij Pozzi hebben aangevallen. Nashe komt er niet achter of Pozzi het overleeft. Murks beweert van wel, maar Nashe vertrouwt hem niet.

Uiteindelijk heeft Nashe alle schuld afbetaald en is vrij. Hij zal nog wat langer blijven werken om geld voor zichzelf te verdienen, maar hij gaat eerst met Murks en diens schoonzoon een avondje drinken in een nabijgelegen dorp. Eigenlijk wil hij dat niet, maar hij geeft uiteindelijk toe. Op de terugweg bestuurt Nashe de auto (zijn voormalige Saab die Flower en Stone aan hun opzichter hebben gegeven) en rijdt veel te hard. Er komt een tegenligger aan en hij kan niet meer remmen. Hoe het afloopt wordt niet vermeld.

Dat was het verhaal, maar wat was de betekenis? Ik dacht al lezend even dat het werken aan de muur en het gevangen zijn misschien een metafoor voor het leven zijn. Omdat dat vaak ook stug doorploeteren vereist en geen ontsnappingsmogelijkheid biedt. Maar of Auster het zo bedoelt? Daar gaat het natuurlijk ook niet om, het gaat erom wat het boek met de lezer doet. Met mij als lezer deed het eigenlijk niet zoveel. Het is zoals alles van Auster goed geschreven en ik las het geboeid in een paar dagen uit, maar het laat me wat onbevredigd achter.

Dat alles of in elk geval veel van wat je meemaakt toeval is, daar was ik al van overtuigd, daar voegt dit boek niets aan toe. Dat het wonderlijk kan lopen in het leven, ook dat was me bekend. Maar ik blijf denken dat er meer achter zit en dat ik Auster gewoon niet begrijp. Dat voelt een beetje onprettig, maar het weerhoudt me er niet van een volgend boek van hem aan te vragen bij de bibliotheek.

dinsdag 23 oktober 2012

Wat ik las 63

Een van de thema's van Paul Auster, zo leerde ik uit wat ik tot nu toe van hem las, is dat alles met alles samenhangt. Het is dus wel in zijn lijn om te denken dat Mr. Vertigo me misschien wel zo beviel omdat ik vroeger in de haven gewerkt heb. Dat heeft te maken met het taalgebruik. Ik weet niet goed hoe ik het moet noemen, sappig, snel, vlot, meeslepend? Het staat dicht bij spreektaal en roept een bepaalde sfeer op. Het is een beetje 'volks'. Het leest 'lekker' en lijkt achter elkaar opgeschreven, maar je voelt toch aan hoe knap het gedaan is. De taal past ook precies bij het verhaal en dat is nou net wat volgens mij een goed boek goed maakt: dat taal en inhoud elkaar versterken.

Het boek is een soort avonturenboek en het probeert geen enkele moraal over te brengen, ik heb hem er althans niet in ontdekt. Ik geloof ook niet dat het in dit boek over de samenhang van gebeurtenissen gaat en daarmee is het anders dan wat ik eerder van Auster las. Wat gebeurt gebeurt, soms zit het mee in het leven, soms zit het tegen, maak er voor zover je kunt het beste van. Wat goed of kwaad is hangt van de omstandigheden af. Een paar mensen kennen op wie je kunt vertrouwen, dat is wel belangrijk. En dat je zelf ook voor een paar mensen te vertrouwen bent. Om iets te bereiken moet je hard werken, maar een portie geluk is nooit weg. Dat is wat je de 'ondergrond' van het boek zou kunnen noemen.

Het verhaal zelf is wonderlijk en afwisselend. Walter Rawley, weesjongen en straatschoffie van negen, woont in St. Louis bij zijn oom en tante die hem uit bedelen sturen en blij zijn dat ze van hem af kunnen komen als een man vraagt of hij Walt mag meenemen. Die man, meester Yehudi, belooft Walt dat hij hem zal leren vliegen. Walt besluit met hem mee te gaan. Yehudi woont in Kansas op een afgelegen boerderij, samen met Aesop, een gehandicapte negerjongen die thuis studeert om later naar de universiteit te kunnen en moeder Sioux, een Indiaanse vrouw die het huishouden doet. Walt moet een traject van drieëndertig trappen doorlopen, de ene beproeving na de andere. Hij wordt levend begraven, van het dak gegooid, moet een hele nacht op een been staan en de volgende op het andere, een week lang kruipen met vastgebonden armen en benen, vierentwintig uur niet praten, zijn eigen duimkootje afhakken, en dat is nog maar een deel van de ellende. Walt laat het allemaal over zich komen, toen de training nog niet begonnen was heeft hij een paar weglooppogingen gedaan, maar nu schikt hij zich en raakt ondanks de harde behandeling gehecht aan meester Yehudi. Wat het met leren vliegen te maken heeft is zowel voor de lezer als voor Walt onduidelijk. Daar gaat het ook helemaal niet meer over.

Maar op een avond, als Walt van narigheid op de vloer ligt te huilen, merkt hij ineens dat hij begint te zweven. Dat is het begin van zijn carrière als levitator. Na veel oefenen treedt hij voor het eerst op op een jaarmarkt. Het is dan 1927 en Walt is 12. Zijn eerste optreden is geen succes, maar later wordt dat beter en na enkele jaren is 'Walt de Wonderjongen' beroemd, treedt op in grote theaters en verdient veel geld. Hij vervolmaakt zijn optreden en stijgt steeds hoger, loopt steeds verder door de lucht en voegt er nieuwe vaardigheden aan toe.

Zijn oom Slim, die hem zo graag kwijt wilde, heeft lucht gekregen van Walts successen en komt een aandeel in de winst opeisen. Als hij dat niet krijgt ontvoert hij Walt en vraagt losgeld. Walt weet te ontsnappen. Zijn loopbaan eindigt als hij in de puberteit komt, hij krijgt dan steeds na zijn optredens vreselijke hoofdpijn en moet er daarom mee stoppen. Meester Yehudi en Walt zijn inmiddels rijk, maar al hun geld wordt gestolen door oom Slim en enkele trawanten, die hen ergens onderweg in onbewoond gebied opwachten en beroven. Yehudi wordt door een kogel van Slim getroffen en kan niet meer verder. Hij vraagt Walt hem dood te schieten maar die weigert dat en dan doet Yehudi het zelf.

Walt gaat Slim opsporen, dat kost hem drie jaar en intussen leeft hij van diefstal en kleine baantjes. Uiteindelijk vindt hij Slim, die nachtwaker is in een illegaal drankpakhuis. Hij vermoordt hem door hem te dwingen een beker melk met strychnine op te drinken. Walt weet Slims baas ertoe te bewegen hem de baan van Slim te geven. Langzaam klimt hij op in het imperium van illegale drank en gokken en verdient genoeg om uiteindelijk een eigen restaurant met dansvloer en theater te kunnen openen, dat hij Mr. Vertigo's noemt en dat aanvankelijk een groot succes is. Maar door dom gedrag raakt hij alles weer kwijt.

Hij gaat in het leger en vecht in WO II, hij trouwt en is gelukkig maar zijn vrouw sterft.  En tenslotte, als hij in de tachtig is, schrijft hij het allemaal op. En dat is dan dit boek.

Aan het eind van zijn leven vraagt Walt zich af of die drieëndertig trappen eigenlijk wel nodig waren om te leren vliegen. Of het moment van levitatie niet ook gewoon had kunnen komen door een flits van inzicht.

   Diep vanbinnen geloof ik niet dat iemand een speciaal talent moet hebben om zich van de grond te verheffen en de lucht in te zweven. We hebben het allen in ons – iedere man en vrouw en ieder kind – en met genoeg inspanning en concentratie is ieder mens in staat de prestaties te herhalen die ik leverde als Walt de Wonderjongen. Je moet leren ophouden met jezelf zijn. Daar begint het mee, en al het andere volgt daaruit. Je moet jezelf laten vervluchtigen. Laat je spieren slap worden, haal adem tot je voelt dat je ziel uit je wegstroomt en sluit je ogen. Dat is de manier. De leegte in je lichaam wordt lichter dan de lucht om je heen. Langzamerhand begin je minder dan niets te wegen. Je sluit je ogen; je breidt je armen uit; je laat jezelf vervluchtigen. En dan, langzamerhand, verhef je je van de grond.
   Ja, zo.

Zo eindigt het boek en er valt misschien best iets symbolisch in te lezen, maar ik zag daar niet direct de noodzaak toe.

zondag 21 oktober 2012

Wat ik las 62

Rond mijn dertigste heb ik een periode van jaren doorgemaakt waarin alles wat ik aanvatte een mislukking werd. Mijn huwelijk liep op een scheiding uit, mijn werk als schrijver liep spaak en ik had overweldigende geldzorgen.

Zo begint Van de hand in de tand - Een kroniek van vroeg falen van Paul Auster. Als lezer weet ik inmiddels dat Auster later een huwelijk zal sluiten dat wél standhoudt, dat hij als schrijver bewonderd zal worden en dat zijn geldzorgen niet altijd zullen duren. En toen Auster dit boek schreef wist hij dat zelf ook. Daarmee zijn de scherpste kantjes er een beetje af en vraag je je al lezend niet voortdurend af of het nog goed zal komen. Blijft over een onderhoudend, goed geschreven boek, dat ik met plezier en belangstelling gelezen heb, maar dat niet erg veel indruk maakte.

Auster weet als hij een jaar of zestien, zeventien is al dat hij schrijver wil worden. Om in leven te blijven is het daarnaast nodig dat hij geld gaat verdienen. Als hij net van school is gaat hij een tijdje varen op een olietanker. Hij schrijft gedichten. Later schrijft hij ook recensies en maakt vertalingen en verdient daar wat mee. En hij geeft bijlessen. Hij krijgt gedurende enkele jaren een studiebeurs. Voor de oorlog in Vietnam wordt hij uitgeloot. Hij had zich voorgenomen dienst te weigeren en zou dan de gevangenis in moeten, maar dit probleem lost zich tot zijn opluchting dus vanzelf op.

Als hij getrouwd is en een zoontje heeft worden de geldzorgen nog nijpender. Hij herinnert zich dan dat hij als jongen van een jaar of tien eens een kaartspel heeft uitgedacht waarmee je een honkbalwedstrijd kon naspelen. Hij werkt dat idee verder uit en probeert het spel te verkopen aan een spellenfabrikant. Hoewel hij er complimenten voor krijgt lukt het hem niet het aan iemand kwijt te raken. De pogingen die hij doet leveren wel mooie verhalen op.

Hij bedenkt tijdens een slapeloze nacht het plot voor een detectiveroman. Dat boek schrijft hij en hij probeert er een uitgever voor te vinden. Dat verloopt aanvankelijk ongeveer net zoals bij het honkbalkaartspel, maar uiteindelijk komt er toch een pocketuitgave van zijn boek en is hij even uit de geldzorgen. En daarmee eindigt Van de hand in de tand, dat net als Het spinsel van de eenzaamheid (wat ik las 61), dat er qua tijd min of meer op aansluit, is uitgegeven in de serie Privé-domein.

zondag 14 oktober 2012

Wat ik las 61

   Hij wordt wakker. Hij loopt heen en weer tussen de tafel en het raam. Hij gaat zitten. Hij gaat staan. Hij loopt heen en weer tussen het bed en de stoel. Hij gaat liggen. Hij staart naar het plafond. Hij doet zijn ogen dicht. Hij doet zijn ogen open. Hij loopt heen en weer tussen de tafel en het raam.
   Hij vindt een nieuw vel papier. Hij legt het op de tafel voor zich en schrijft deze woorden met zijn pen.
   'Het was. Het zal nooit meer zijn. Herinner.'

Zo eindigt Het spinsel van de eenzaamheid van Paul Auster. Die laatste regel vind ik mooi. Zou hij in Amerika op rouwkaarten worden gebruikt zoals dat hier met 'Het werd, het was, het is gedaan.' van Vasalis soms gebeurt?

Zo staan er meer mooie zinnen en passages en boeiende gedachten in dit boek. Het is geen roman maar een autobiografisch verslag, uitgegeven in de serie Privé-domein. Ik moet bekennen dat ik veel niet begreep. En dat ik me nu een beetje schaam dat ik eerder schreef dat de boeken van Auster niet moeilijk te lezen zijn. Ik denk na het lezen van Het spinsel van de eenzaamheid dat de romans van Auster misschien niet moeilijk líjken, maar het wel zijn. Althans, voor mij. Ik ben niet belezen genoeg en ik heb te weinig over het leven nagedacht om Auster te kunnen begrijpen. Ik troost mij met twee gedachten: de eerste is dat vast niet alle bewonderaars van hem alles waar hij naar verwijst gelezen hebben en dat ze ook vast niet allemaal diepe denkers over het leven zijn, de tweede is mijn ooit zelfverzonnen theorie(tje) dat een echt goed kunstwerk zich op meer niveaus laat lezen/bekijken/beluisteren. Waarmee ik bijvoorbeeld bedoel dat je een fuga van Bach mooi kunt vinden zonder iets te weten van twee- en driestemmigheid. Als je daar wél iets van weet geniet je waarschijnlijk meer, maar ook een niet-deskundige luisteraar zoals ik kan van een fuga van Bach houden en erdoor ontroerd worden. En zo ook voor schilderijen en literatuur.

Maar terug naar Het spinsel. Het boek bestaat uit twee delen: 'Portret van een onzichtbare man' en 'Het Boek der Herinnering'. In het eerste deel wil de auteur een portret schrijven van zijn onverwacht overleden vader. Dat deel is dus niet alleen autobiografisch, maar ook biografisch. Zijn vader was een man die zich alleen van de buitenkant liet kennen. Een verteller, een grappenmaker, iemand die graag in de belangstelling stond. Hij werkte hard en was zuinig. Voor zijn zoon en later voor zijn kleinzoon had hij niet veel belangstelling. Hij ging bij wijze van uitzondering een keer met zijn zoon, die gek was op honkbal, naar een wedstrijd kijken, maar wilde voor het eind al weg om niet in de drukte te raken. Zijn zoon hoorde gejuich toen ze al buiten het stadion waren en besefte dat zijn vader niets van hem begreep.

Aan de hand van foto's, voorwerpen en herinneringen geeft Auster een mooi en toch ook liefdevol beeld van zijn vader. Door toeval (een nicht van hem hoort het als ze toevallig naast een vroegere plaatsgenoot van haar grootouders in het vliegtuig zit en zij vertelt het later aan Auster) ontdekt hij een ingrijpende gebeurtenis uit het leven van zijn vader. Austers grootmoeder heeft haar man vermoord, in een ruzie om geld en een vrouw. Ze wordt, hoewel ze bekent, vrijgesproken en gaat elders wonen met haar vijf kinderen.

Dit eerste deel vond ik niet zo moeilijk. Het tweede daarentegen zou ik zeker nog een keer moeten lezen om er een beetje greep op te krijgen. Het gaat over de relatie tussen vader en zoon, Auster heeft inmiddels zelf ook een zoon. Het gaat ook over herinnering en er komen dertien hoofdstukken in voor die 'Het Boek der Herinnering' heten, met daarachter 'Boek Een', 'Boek Twee', enzovoort. Dat lijken een soort voorstudies voor een definitief boek omdat er notities in staan en losse gedachten en uit te werken ideeën. Dat die hoofdstukken tevens deel uitmaken van het boek dat je aan het lezen bent, is verwarrend en wonderlijk. En dat is waarschijnlijk precies de bedoeling.

Auster leest zijn zoontje Pinokkio voor, een verhaal over een vader en een zoon. Er komt een haai in voor die vader en zoon heeft ingeslikt en zo komt Auster op Jona en het bijbelverhaal van de walvis en Ninevé. Het gaat ook over Hölderlin en Mallarmé en Mandelstam die ik allemaal niet gelezen heb en over Anne Frank, die ik wel gelezen heb, en over nog veel meer, en alles heeft met elkaar te maken en al lezende kon ik het af en toe wel even volgen maar navertellen kan ik het zeker niet. 'Alles hangt met alles samen', dat las ik wel ergens en dat vond ik leuk omdat ik het in de romans als thema had menen te bespeuren. Dus misschien is er nog hoop.

Het gaat ook over de rol van het toeval. Auster vertelt verschillende verhalen over toevallige gebeurtenissen. Bijvoorbeeld over een vriend van hem, die als jonge man uit Amerika naar Parijs gaat en daar een dienstbodenkamertje betrekt in een hotel. Als de jongen zijn vader daarover schrijft blijkt het precies dezelfde kamer te zijn waarin die vader zich in de oorlog een tijd heeft schuilgehouden.

Auster vertelt ook over onwaarschijnlijke ontmoetingen, zoals dat hij in Londen ineens iemand ziet staan aan wie hij liep te denken en over mensen die andere mensen weer blijken te kennen. De indruk die ik eruit kreeg is dat hij wil zeggen: zo gaat dat nu eenmaal in het leven. Er zit een patroon in, dingen gebeuren niet zomaar. Ik weet niet of ik dat goed begrepen heb, maar voorlopig leg ik het voor mezelf zo uit. Het is overigens ook zo dat hij zegt dat alles zinloos is en dat een mens, en in het bijzonder een schrijver, eenzaam is. Dus die samenhang moet je denk ik niet zien als een soort troost in het leven.

Het gaat ook over taal en hoe woorden eerst in je moeten leven voor je ze kunt opschrijven. Ook dat vond ik moeilijk.

Die laatste zin en dat laatste woord 'Herinner.' leken me een aanwijzing om weer bij de eerste zin te beginnen. Net zoals ik me dat (half-en-half) van Proust herinner: het boek is klaar en nu begint het boek. Het zal dus zeker nuttig voor het begrip van Austers werk zijn om het nogmaals te lezen. Misschien doe ik dat als ik wat verder gevorderd ben met zijn romans.

Tot slot een citaat over taal en samenhang.

Taal is geen waarheid. Het is onze bestaanswijze in de wereld. Spelen met woorden is slechts het onderzoeken van de manier waarop het verstand functioneert, het spiegelen van een deel van de wereld, zoals het verstand haar waarneemt. Op dezelfde manier is de wereld niet gewoon de som van de dingen die er zijn. Zij is het oneindige, complexe netwerk van samenhang tussen de dingen. Zoals voor de betekenis van woorden geldt, zo krijgen dingen ook alleen betekenis in relatie tot elkaar. (...) Een jonge man huurt een kamer in Parijs en ontdekt dat zijn vader tijdens de oorlog in diezelfde kamer ondergedoken zat. Als men deze twee gebeurtenissen afzonderlijk zou beschouwen, viel er weinig over elk van beide te zeggen. Het rijm dat ontstaat wanneer men ze samen bekijkt, verandert de werkelijkheid van beide.

Misschien is dát wat Auster ons met zijn romans wil laten zien: het rijm dat ontstaat als je de dingen in hun relatie ziet. Misschien.

donderdag 11 oktober 2012

Wat ik las 60

Na zes boeken van Paul Auster gelezen te hebben denk ik dat ik misschien een beetje begin te ontdekken wat de 'rode draad' erin is. Hij blijft voor mij een moeilijk te doorgronden schrijver, niet omdat zijn boeken moeilijk lezen, maar omdat ik me afvraag: wat wil hij me duidelijk maken? Waarbij ik er rekening mee houd dat hij me niets wil duidelijk maken, maar dat hij 'gewoon' een verhaal vertelt. Dat verhaal is altijd een goed verhaal en het wordt goed opgeschreven. Auster lezen is zeker geen straf. Ik heb dan ook nog geen spijt van mijn plan om alles wat van hem in het Nederlands vertaald is te gaan lezen. Mijn waardering is tamelijk constant, al vond ik Maanpaleis tot nu toe het beste van de zes.

Over Leviathan heb ik lang gedaan, er kwamen gebeurtenissen en andere boeken tussendoor. Aan het eind wist ik daarom niet goed meer wat ik aan het begin gelezen had. Maar misschien was dat als ik achter elkaar doorgelezen had ook wel zo geweest, een echt Auster-boek zit nu eenmaal niet simpel in elkaar en er gebeurt veel in. Het boek gaat over twee vrienden, beiden schrijver. Ze ontmoeten elkaar voor het eerst in een café waar zij allebei zouden voorlezen. Dat de voorleesmiddag niet doorgaat vanwege de storm wisten zij niet. Zij zijn de enigen die gekomen zijn en ze drinken en praten de hele middag met elkaar. Ze worden vrienden, verliezen elkaar soms een tijd uit het oog maar blijven altijd belangrijk in elkaars leven. Zoals dat bij Auster vaak het geval is, is er een verhaal-in-het-verhaal. De ene schrijver, Peter Aaron, vertelt het verhaal van de andere, Benjamin Sachs. Hij begint hieraan als hij gehoord heeft dat ergens aan de kant van de weg een man gedood is door een bom die hij aan het monteren was. Hij beseft dat het zijn vriend Benjamin moet zijn, die hij al een tijd niet gezien heeft.

Wat Aaron opschrijft heeft Sachs hem verteld en hij vult het aan met wat hij zelf met hem heeft meegemaakt. Sachs heeft een man doodgeslagen met een honkbalknuppel, omdat die man de jongen met wie Sachs meeliftte doodschoot toen ze hem tegenkwamen op een bosweg. Sachs vindt een tas vol geld in de auto van de schutter, en een paspoort. Hij vertelt wat er gebeurd is aan een vriendin en laat haar het paspoort zien. Zij blijkt de man te kennen, het is de ex-man van een goede vriendin van haar. Die vriendin had ze, nadat ze haar uit het oog had verloren, een aantal jaren eerder weer teruggevonden doordat ze een opschrijfboekje op straat vond waar haar naam in stond. Zij werd peetmoeder van hun dochtertje, maar later raakten ze elkaar weer kwijt.

Sachs gaat naar de ex-vrouw van de man die hij heeft doodgeslagen, want hij wil haar het geld geven. Hij woont een tijdje met haar en haar dochtertje samen maar vertrekt dan weer. Hij begint bomaanslagen te plegen op kopieën van het Vrijheidsbeeld, die in veel steden staan. Hij komt tenslotte om bij het monteren van een van zijn bommen.

De titel Leviathan is de titel van een boek dat Sachs aan het schrijven was en waarvan hij Aaron het stuk dat hij af had, had laten lezen. Aaron was er erg van onder de indruk en als eerbetoon gebruikt hij de titel voor zijn eigen boek over Sachs.

Dit is een zeer onvolledige samenvatting, want er gebeurt nog veel meer in het boek. Maar wat al wel duidelijk is, is de rol van het toeval. Het toevallig op straat gevonden opschrijfboekje, de man met wie Sachs toevallig meelift, de man die toevallig op een bosweg staat waar zij langskomen, en dat die man dan net de ex-man van de vriendin uit het opschrijfboekje blijkt te zijn. Deze grote rol van het toeval is typisch voor Auster en sinds ik hem lees vraag ik me af: waarom doet de schrijver dit?

Twee dingen hebben er denk ik mee te maken. Auster schrijft soms iets als 'de werkelijkheid is altijd verrassender dan wat je kunt bedenken'. En ook 'alles hangt op de een of andere manier met alles samen'. Ik heb het gevoel dat dat misschien de kern is van alles wat hij schrijft. Maar zeker weten doe ik het beslist niet. En áls het zo is, wil hij er dan iets mee zeggen of constateert hij het alleen maar?

Inmiddels ben ik op de helft van een volgende Auster: Het spinsel van de eenzaamheid. Daarin wordt wat ik daarnet opschreef over toeval en samenhang in elk geval nog niet meteen onderuitgehaald.

Wordt (vermoedelijk) vervolgd.

woensdag 12 september 2012

Wat ik las 57

Het was boeiend maar het ontroerde me nergens, schreef ik over Onzichtbaar van Paul Auster. Over Maanpaleis kan ik zeggen: het was boeiend en het ontroerde me meer dan eens. De constructie van dit boek is wat minder spectaculair dan die van Onzichtbaar, maar op de stijl is ook deze keer niks aan te merken, dus je zou denken dat ik enthousiast moest zijn.

Toch is dat nog niet helemaal het geval. Toen ik op pagina honderd was dacht ik: zelfs als de rest van het boek tegenvalt, blijf ik dit een goed boek vinden. En dat vind ik het ook. Die rest viel niet echt tegen, maar ik vond de laatste tweehonderd pagina's wel minder goed dan de eerste honderd. Dat kwam door het wel érg grote aantal onwaarschijnlijke gebeurtenissen. Ik dacht eerst af en toe aan Murakami, en dat ik in Kafka op het strand zonder moeite wel gekkere dingen geaccepteerd heb. Een goeie schrijver kan je in veel doen geloven. Maar op een keer werd het me toch te gek en dacht ik: Kruimeltje!

Een weesjongen vindt zijn dood gewaande vader terug. Dat komt omdat hij een baantje krijgt bij een oude man. Die man is zelf een door zijn zoon dood gewaande vader en hij wil na zijn dood zijn levensverhaal aan zijn zoon sturen. De jongen van het baantje is aangenomen om dat levensverhaal op te schrijven. Als de oude man dood is stuurt de jongen het verhaal naar de zoon, ze maken een afspraak, ontmoeten elkaar en de zoon van de oude man blijkt de vader van de jongen te zijn. Wie hier niet aan Kruimeltje moet denken kent zijn klassieken niet. Alleen op de wereld zou ook kunnen.

En nu zit ik natuurlijk weer met een probleem: waarom doet Auster dit? Waarom schrijft hij een prachtig boek vol avontuur en emotie en liefde en tragiek en stopt hij er dan zoveel toeval in? Wil hij daarmee zeggen dat het leven nu eenmaal vol onwaarschijnlijkheden zit en dat dit heus niet het gekste is wat je kunt meemaken? Of denkt hij: avontuur en emotie en liefde en tragiek, dáár gaat het om, en om die te kunnen beschrijven is nu eenmaal een kapstok nodig om ze aan op te hangen, maar naar die kapstok moet je helemaal niet kijken? Die dient alleen maar als ondergrond en doet er zelf niet toe? Of is het juist wél belangrijk dat het verhaal zo verloopt? Maar waarom dan?

Mijn behoefte om eens met een Austerliefhebber te praten wordt er niet minder op...

Het verhaal is, en dat zal vermoed ik bij al Auster's boeken wel zo zijn, niet eenvoudig na te vertellen. De eerste honderd pagina's gaan vooral over Marco Stanley Fogg. Hij heeft zijn vader nooit gezien en zijn moeder heeft hem verteld dat zijn vader dood is. Zijn moeder sterft als ze negenentwintig is en Marco wordt in huis genomen door een alleenwonende oom. Als Marco, die inmiddels ook wel M.S. genoemd wordt, naar de universiteit gaat, vertrekt zijn oom voor een tournee met zijn band en geeft al zijn boeken aan zijn neef, 'éénduizend, vierhonderd en tweeënnegentig stuks'.

Marco richt zijn appartement, dat hij huurt nadat hij verplicht een jaar op de campus heeft gewoond, in met de dozen boeken. Ze dienen als tafel, bed en zitplaats. Als zijn oom sterft besluit Marco om het leven verder op zijn beloop te laten, door niets meer te ondernemen maar het zo lang mogelijk uit te houden met het geld dat hij nog heeft. Hij begint de boeken uit de dozen te lezen en wat hij gelezen heeft verkoopt hij. Hij leert met steeds minder toe te kunnen. Zijn meubels verdwijnen tegelijk met de boeken. Als de elektriciteit wordt afgesloten verlicht hij zijn huis met kaarsen. Koken kan hij nog omdat gas bij de huur is inbegrepen. Hij verzint voor zijn vrienden allerlei verhalen om zijn gedrag te rechtvaardigen, zo zegt hij bijvoorbeeld dat hij geen telefoon meer heeft omdat een elektronische stem geen echte stem is. Als zijn geld bijna op is en en hij al een paar maanden geen huur meer heeft betaald wordt hij uit zijn appartement gezet. Hij leeft verder in een park. Soms stopt iemand hem wat geld toe en hij vindt eten in vuilnisbakken. Hij vermagert sterk en wordt na een hevige regenbui, waarbij hij niet snel genoeg een schuilplaats kon bereiken, ziek. Als hij bijna dood is wordt hij gevonden door een vroegere vriend en een meisje dat hij een keer ontmoet heeft en dat verliefd op hem is geworden.

De vriend neemt hem in huis en verzorgt hem en hij knapt op. Hij neemt een baantje aan bij een oude man die in een rolstoel zit. Hij moet met hem wandelen en de man leert hem zó te kijken dat hij wat hij ziet in woorden kan overbrengen. De man vertelt zijn levensverhaal en Marco moet dat opschrijven. Het is bedoeld om na de dood van de oude man in verschillende versies naar de krant, een kunsttijdschrift en naar zijn zoon te worden gestuurd.

Het levensverhaal van de man is een verhaal in het verhaal en bijna een boek op zich. Hij was vroeger een beroemde schilder maar heeft een nieuwe identiteit aangenomen na een verblijf van enige jaren in een grot in onherbergzaam gebied in Utah, waar hij heen was gegaan om te schilderen. De grot werd ook gebruikt door rovers en als die terugkomen doodt hij ze. Later keert hij terug naar de bewoonde wereld. Zijn vrouw denkt dat hij is omgekomen. Hij ontdekt dat hij een zoon heeft.

Marco ontmoet de zoon van de man, Solomon. Ze worden vrienden. Marco woont inmiddels samen met Kitty, het meisje dat verliefd op hem was en hem het leven heeft gered door hem hardnekkig te zoeken. Ze zijn gelukkig totdat ze zwanger wordt en een abortus wil, terwijl Marco het kind wil houden. Ze gaan uit elkaar. Marco trekt in bij Solomon. Ze besluiten de grot te gaan zoeken waarin de oude man vroeger gewoond heeft. Als ze op hun tocht samen het graf van Marco's moeder en oom bezoeken begint Solomon te huilen. Hij valt in een net gedolven graf en breekt zijn rug. In het ziekenhuis praten Solomon en Marco een paar maanden veel met elkaar. Solomon blijkt een keer met een studente naar bed te zijn geweest. Hij was docent en is ontslagen toen het ontdekt werd. Het meisje wil niets meer met hem te maken hebben. Ze was zwanger en werd Marco's moeder.

Solomon overlijdt en Marco gaat op zoek naar de grot, maar die ligt in een gebied dat inmiddels onder water is gezet. Zijn auto, die eerst van Solomon was, met daarin het grootste deel van zijn geld, dat hij ook van Sololom heeft gekregen, wordt gestolen. Dan gaat hij lopend naar de oostkust en als hij bij de oceaan aankomt kijkt hij naar de maan. De maan speelt in het hele boek een (bescheiden) rol, die ik niet begreep (of waar misschien niets aan te begrijpen valt).

Deze samenvatting doet het boek bepaald geen recht (maar misschien doet een samenvatting dat wel nooit) en bevat ook maar een deel van de gebeurtenissen. Er is nóg een verhaal-in-het-verhaal: een manuscript dat Solomon als zeventienjarige schreef en dat gaat over wat hij denkt dat er met zijn vader gebeurd kan zijn.

Hoe Marco langzaamaan in een soort psychose terechtkwam en hoe hij zich in het park in leven hield, dat vond ik aangrijpend en heel knap beschreven. En ook de liefde tussen Marco en Kitty en hoe ze uit elkaar gingen was ontroerend. Het verhaal van de oude man was soms spannend. En het geheel zit, zoals ik inmiddels van Auster gewend ben, prima in elkaar.

Veel goeds over dit boek dus, maar dat toeval blijft me dwarszitten.

Gisteren kreeg ik bericht van de bibliotheek dat het via het Interbibliothecair Leenverkeer aangevraagde exemplaar van Leviathan is aangekomen. Als ik dat ophaal kan ik weer verder met mijn Auster-project. Het verveelt me in elk geval nog niet.

dinsdag 4 september 2012

Wat ik las 56

Jaren geleden las ik iets van Paul Auster, ik geloof dat het Orakelnacht was. Ik weet nog op wiens aanraden ik Auster destijds ging lezen, maar van wat ik las herinner ik me niets meer. Ik vergat de schrijver, tot ik onlangs zijn briefwisseling met Coetzee las: Een manier van vriendschap. Die ging ik lezen omdat ik van Coetzee hou, maar anderen lazen hem vooral vanwege Auster. En ik hoorde dat Auster erg de moeite waard is. En dacht: dan moet ik hem toch nog eens proberen. Ik heb, na het brievenboek, inmiddels Brooklyn-dwaasheid, Op reis in het scriptorium en Onzichtbaar gelezen. En heb het plan verder te gaan met zijn andere boeken, voor zover die in het Nederlands vertaald zijn, maar misschien zijn ze dat allemaal wel.

Dat ik van plan ben verder te gaan is omdat ik het wel fijn vind een 'leesproject' te hebben. Zo'n zelfopgelegde verplichting om een schrijver te leren kennen. Zo heb ik ooit ook Proust gelezen. Dat viel niet altijd mee, maar omdat het de projectstatus had heb ik het volgehouden. Met mijn Vestdijkproject ben ik tot ongeveer halverwege gekomen, toch altijd nog zo'n 26 titels.

Je zou hier uit kunnen afleiden dat ik Auster níet verder wil lezen omdat hij me meteen te pakken heeft. Want dan hoefde ik er tenslotte geen project van te maken, dan zou ik het toch wel doen. En dat klopt, ik ben nog niet gegrepen. Ik ben wél onder de indruk trouwens. Dat is iets anders. Maar wat niet is kan komen. En misschien kan ik nog eens met een Auster-liefhebber van gedachten wisselen om erachter te komen waarom hij/zij liefhebber is. Je weet maar nooit.

Van de drie titels die ik nu van hem las vond ik Onzichtbaar de beste. Toen ik het uit had dacht ik: het is eigenlijk een soort interactief boek. Zo'n digitaal boek waarin je zelf kunt kiezen voor het vervolg. Misschien bestaan ze zelfs ook wel op papier: wil je een happy-end, ga dan verder op bladzij 110, wil je een open einde, lees dan vanaf bladzij 135. Ofzoiets.

Ik dacht dit omdat je in Onzichtbaar keuzes kunt (en eigenlijk misschien wel moet) maken in wat je wel en niet voor waar aanneemt. Met 'waar' bedoel ik: waar in deze roman. Er worden in het boek door de ene persoon verhalen verteld die door een ander als verzonnen worden bestempeld. Een moord, een seksuele relatie tussen een broer en een zus, ingrijpende dingen dus. Die als ze 'waar' waren een ander beeld geven van de hoofdrolspelers in het boek dan als ze dat niet geweest zijn.

Het boek zit tamelijk ingewikkeld in elkaar maar is toch goed te volgen. Navertellen is weer wat anders. Een schrijver, Jim, krijgt een brief van een vroegere vriend, Adam, die hij veertig jaar niet gesproken heeft. Adam heeft nog maar kort te leven en is een boek over een belangrijk jaar uit zijn leven aan het schrijven maar is vastgelopen in het tweede hoofdstuk. Hij wil zijn vroegere vriend om advies vragen. Hij stuurt hem het eerste hoofdstuk. Ze maken een afspraak voor een ontmoeting. Jim geeft Adam alvast de raad om te proberen het tweede hoofdstuk in de tweede persoon te schrijven. Dat blijkt een goed advies en het hoofdstuk lukt en Adam stuurt het naar Jim. Kort voor hun afspraak gaat Adam dood. Omdat niemand dat Jim verteld heeft staat die op het afgesproken tijdstip voor de deur van Adam. Hij wordt ontvangen door Adams stiefdochter. Hij krijgt aantekeningen mee van het derde hoofdstuk. Die werkt hij uit. (De hoofdstukken zijn tevens hoofdstukken van Onzichtbaar.) Hij overlegt met Adams zus over een eventuele uitgave van het boek. Als hij in Parijs moet zijn, waar een deel van Adams boek speelt (de rest speelt in Amerika), maakt hij een afspraak met een van de personen uit het boek, een vrouw die veertig jaar geleden als meisje van achttien verliefd op Adam is geweest en hem nooit is vergeten.

Vertellen wat er in Adams leven en in het bijzonder in dat ene jaar is gebeurd zou niet aardig zijn voor wie het boek nog wil lezen, en bovendien lijkt het me nogal moeilijk. Dus dat doe ik niet. Het was boeiend om te lezen en ik kon het boek slecht wegleggen. De constructie is ingewikkeld maar het is zo knap gedaan dat het me niet hinderde, integendeel, de constructie maakte me enthousiast omdat ik hem zo goed vond. En het taalgebruik laat ook niets te wensen over. En toch heb ik een wat onbevredigd gevoel na het lezen van dit boek. Het was boeiend maar het ontroerde me nergens. Het zette aan tot nadenken: wie moet ik geloven, wat zou de waarheid zijn? Dat vond ik interessant, maar niet ontroerend of aangrijpend. En nu vraag ik me af: waarom wil ik dat dan, ontroerd worden door een boek? Of ervan ondersteboven zijn? Zoals ik dat bij In ongenade van Coetzee had? Of er nieuw inzicht aan ontlenen? Moet literatuur dat per se doen? Of beter: wil ik dat literatuur dat (met mij) doet? En is dat dan misschien calvinistisch, als je dat wilt?

En ik vraag me ook af: waren anderen wél ontroerd door dit boek? Greep het anderen wél aan? Of waarderen die het om andere redenen? Ik zal maar eens wat recensies opzoeken.

En verder ga ik aan de volgende Auster die de bibliotheek opleverde beginnen: Maanpaleis.